De evolutie van de mens is een complex biologisch proces dat de oorsprong van de moderne mens, Homo sapiens, uit eerdere primaten beschrijft. Dit fascinerende onderwerp wordt bestudeerd door diverse wetenschappelijke disciplines, waaronder paleoantropologie, antropologie en genetica.
Vroege Mensachtigen en de Ontwikkeling van de Hersenen
De eerste mensachtigen, Hominiden, verschenen al vóór het Pleistoceen (2,58 miljoen jaar geleden) in Afrika. Een cruciaal aspect in de menselijke evolutie was de ontwikkeling van de hersenen. De groeisnelheid, met name in het embryonale stadium, en de uiteindelijke grootte van de hersenen zijn bepalend geworden voor onze soort. De hersenen van de mens zijn opvallend groot in verhouding tot het lichaam, een kenmerk van Homo sapiens.
Deze grote hersenen bieden aanzienlijke voordelen, waaronder talloze ontwikkelde talenten en vaardigheden. De evolutie van onze grote hersenen heeft bijgedragen aan de dominantie van onze soort en aan het vermogen om technologie en werktuigen te gebruiken.

Vroege Mensensoorten en Migraties
Gedurende het vroege Pleistoceen migreerde Homo erectus vanuit Afrika naar Europa. In het Midden-Pleistoceen (781.000 jaar geleden) leefde Homo heidelbergensis op aarde. De neanderthalers (Homo neanderthalensis) bewoonden Europa tot ongeveer 40.000 jaar geleden.
Homo habilis, een uitgestorven mensensoort, leefde 2,2 tot 1,5 miljoen jaar geleden in Oost-Afrika. Deze soort was kleiner dan de huidige mens, met een geschatte lengte tussen 1,20 m en 1,55 m. Er zijn echter zeer weinig fossiele resten van Homo habilis bekend, en er bestaat onenigheid over de taxonomie van deze soort.
Homo heidelbergensis, die leefde tussen 1.000.000 en 200.000 jaar geleden, wordt beschouwd als een directe voorouder van zowel de moderne mens (Homo sapiens), de neanderthaler als de denisovamens. In Nederland kwamen zij ongeveer 250.000 jaar geleden voor.
De neanderthaler (Homo neanderthalensis of Homo sapiens neanderthalensis) is een uitgestorven mensensoort of ondersoort waarvan skeletdelen zijn gevonden in Europa, het Midden-Oosten en Centraal-Azië.
De Verspreiding van Homo Sapiens
Er zijn twee leidende theorieën over de verspreiding van Homo sapiens over de wereld. Het multiregionaal model suggereert dat Homo sapiens meerdere voorouders had. Tegenwoordig wordt soms gesproken over de ondersoort Homo sapiens sapiens.

De Oorsprong van Primaten en Mensachtigen
De evolutionaire geschiedenis van de primaten gaat, op basis van fossiele botresten, zo'n 60 miljoen jaar terug. Primaten vormen een van de oudste overlevende zoogdiergroepen. De oudst bekende fossiele primaten komen uit Noord-Amerika, maar ze kwamen ook wijdverspreid voor in Eurazië en Afrika tijdens de tropische klimaatomstandigheden van het Paleoceen en Eoceen.
Met de afkoeling van het klimaat en de vorming van het eerste Antarctische ijs in het vroege Oligoceen (ongeveer 40 miljoen jaar geleden), stierven primaten bijna overal uit.
De vroegst bekende fossiele smalneusaap is Kamoyapithecus, uit het Priabonien, gevonden in Kenia en 24 miljoen jaar oud. Voorouders worden algemeen beschouwd als nauwe verwanten van de fossielen van de geslachten Aegyptopithecus, Propliopithecus, en Parapithecus, gevonden in Faium en 35 miljoen jaar oud.
In het vroege Mioceen (22 Ma) wijst de rijkdom aan soorten van aan het bos aangepaste smalneusapen in Oost-Afrika op een lange evolutionaire voorgeschiedenis van diversificatie. Fossielen van 20 Ma bevatten fragmenten van Victoriapithecus, de vroegst bekende Cercopithecoidea. De nauwst aan de nog levende apen en mensen verwante soorten worden geschaard onder de groep Hominoidea.
Fossiele vondsten van andere, veralgemeende non-cercopitheciden uit het midden-Mioceen, zoals Pieroloapithecus en Dryopithecus in Frankrijk, Spanje en Oostenrijk, tonen een grote verscheidenheid aan vormen in Afrika en het Middellandse Zeegebied gedurende het relatief warme en gelijkmatige klimaat van het vroege- en midden-Mioceen.
De jongste Miocene hominoïde, Oreopithecus (9 Ma), is gevonden in Italië. Van Graecopithecus freybergi, gevonden in Griekenland en Bulgarije (7,2 Ma), vertoont het gebit menselijke eigenschappen, wat sommigen deed veronderstellen dat de gemeenschappelijke voorouder van aap en mens in Zuid-Europa heeft geleefd.
Afsplitsing van Mensapenlijnen
Moleculair onderzoek maakt aannemelijk dat de lijn van de gibbons (familie Hylobatidae) ontstond tussen 18 en 12 Ma en die van de orang-oetans (subfamilie Ponginae) rond 12 Ma. Er zijn geen fossielen die duidelijk de evolutionaire voorouders van de gibbons aangeven.
Resultaten van moleculair onderzoek geven aanleiding te veronderstellen dat tussen 8 en 4 Ma zich eerst de gorilla's en daarna de chimpansees (geslacht Pan) hebben afgesplitst van de lijn die naar de mens leidt. Er zijn geen fossiele resten van beide groepen gevonden, mogelijk omdat de botten in het vochtige en warme milieu van het regenwoud niet gefossiliseerd zijn.
Gedacht wordt dat Homininae zich hebben aangepast aan het biotoop van het open grasland, dat ongeveer 8 Ma geleden ontstond door de toenemend seizoensgebonden klimaten met periodieke droge periodes. Andere zoogdiergroepen die zich aanpasten waren onder andere antilopen, hyena's, honden, varkens, olifanten en paarden, waarvan de fossielen relatief goed bekend zijn.
Fysische Aanpassingen en Geboorte
Ongeveer 1,6 miljoen jaar geleden, door klimaatveranderingen, verdroogde Afrika en ontstond veel open savanneterrein. De mensachtigen gingen meer vlees eten, en tijdens de jacht in het open terrein werden grote afstanden afgelegd en hard gerend.
Om oververhitting te vermijden, verloor de vroege mens zijn beharing en kreeg hij veel eccriene zweetklieren. Haar ter bescherming van het hoofd tegen de hitte is wel gebleven.
Er is geen rechtstreeks bewijs voor het naakt zijn van vroege mensen, daar na de dood alleen beenderen overblijven. Uit DNA-studies van de genen van de menselijke huid blijkt dat veel genetische veranderingen omstreeks 1,6 miljoen jaar geleden hebben plaatsgevonden.
Een efficiënt koelsysteem liet een verdere evolutionaire groei van de hittegevoelige hersenen toe. Het dragen van kleren zou pas veel later gebeuren, mogelijk pas 170.000 jaar geleden, toen de kleerluis als aparte luizensoort ontstond.
Een slanker lichaam met langere benen ontwikkelde zich om snel en efficiënt lange afstanden te kunnen afleggen. De grotere oppervlakte-volume-ratio helpt ook om oververhitting te vermijden.
De overgang naar bipedie (rechtop lopen) heeft gevolgen voor het geboortekanaal. Een groot geboortekanaal en efficiënt rechtop lopen gaan niet goed samen. Vrouwen hebben bredere heupen dan mannen om de baby te dragen en toch een aanvaardbare efficiëntie te hebben bij het rechtop lopen.
Ongeveer anderhalf miljoen jaar geleden begon de steeds grotere hoofdgrootte van baby's een probleem te worden. Nog steeds is de bevalling bij mensen moeilijk, en het kinderhoofd draait een kwartslag tijdens de bevalling voor een betere doorgang. De grootte van het hoofd van de pasgeborene wordt beperkt doordat de hersenen na de geboorte flink doorgroeien. Bij mensen is het hoofd bij de geboorte slechts 29% van een volwassen hoofd, vergeleken met 47-48% bij chimpansees. Hierdoor zijn de hersenen van een pasgeborene minder ontwikkeld dan bij andere dieren.

Bij veel andere zoogdieren kunnen pasgeborenen al heel snel zichzelf verplaatsen, maar blijven afhankelijk van de ouder voor voedsel, opvoeding en bescherming. Pasgeboren kinderen zijn voor lange tijd zeer hulpeloos en kwetsbaar. Pas na 10 maanden begint de kruipfase.
In een gevaarlijke leefomgeving, zoals de savanne met roofdieren, moesten de ouders evolutionair zich aanpassen om de kinderen te beschermen en te verzorgen. Er zijn hypothesen dat leefgemeenschappen over beschermde schuilplekken beschikten, waar baby's veilig bewaakt konden worden, of dat baby's in draagdoeken gedragen konden worden.
Bij vergelijkende studies blijkt er een sterke correlatie te zijn tussen intelligentie en de duur van de afhankelijkheid (borstvoeding). Het lijkt erop dat een intelligent brein zich het beste ontwikkelt met zo weinig mogelijke voorprogrammering van instincten of reflexen. In de hulpeloze fase zijn de hersenen actief met het observeren en verbanden leggen (associatief leren).
Intellectuele Ontwikkeling en Energieverbruik
Het verband tussen de relatieve hersengrootte (het encefalisatiequotiënt) en intelligentie is beperkt; er zijn veel andere factoren die de mate van intelligentie bepalen. De meeste hersenactiviteit vindt plaats bij synapsen in de hersenschors. Deze activiteit vraagt veel energie, met een bijbehorende bloedsomloop, die de hersencellen voorziet van glucose en zuurstof.
De hersenen worden gevoed door de hersenslagader, die door een nauwe opening in de schedel gaat. Door de grootte van deze opening kan bepaald worden hoeveel bloed naar de hersenen gaat en daarmee de energiedensiteit van de hersenen.
In vergelijkende studies met voorouders, de huidige mens en huidige mensapen, blijkt dat er een sterke groei is in de stofwisseling van de hersenen tijdens de evolutie van de mensapen en de mens. Australopithecus, die een vergelijkbare hersengrootte als een gorilla heeft, heeft echter een mindere bloedsomloop in de hersenen dan een gorilla.
Recente Ontdekkingen en Genetische Uitwisseling
Recente vondsten in Marokko leverden kaakdelen op, gedateerd op 773.000 jaar geleden, die gelijkenissen vertonen met zowel oudere mensachtigen als met neanderthalers, denisovamensen en moderne Homo sapiens.
300.000 jaar oude resten bij Djebel Irhoud in Marokko worden uitgelegd als een vroeg ontwikkelingsstadium van de moderne mens, met relatief moderne gezichtstrekken maar een nog langgestrekte cranium.
In 2021 werden artefacten gevonden van de vroege Homo sapiens in Zuid-Afrika, gedateerd op 105.000 jaar geleden.
De tijdlijn voor het ontstaan van de vroege moderne mens als soort is nog onderwerp van debat. Op basis van DNA-onderzoek werd verondersteld dat de eerste populaties moderne mensen zo'n 200.000 jaar geleden ontstonden in Oost-Afrika.
In juni 2017 beschreef het tijdschrift Nature fossielen van moderne mensen op de vindplaats Jebel Irhoud in Marokko, gedateerd op 315.000 jaar geleden, wat de geschiedenis van onze soort eerder doet beginnen.
Een in een Israëlische grot gevonden kaakbeen is 177.000 jaar oud, wat suggereert dat mensen zich eerder buiten Afrika begaven. De schedels zouden zelfs nóg ouder kunnen zijn.
In een grot in Zuid-Griekenland zijn beenderen van moderne mensen gevonden die, op basis van uranium-thoriumdatering, zo'n 210.000 jaar oud zijn. Dit is ouder dan alle andere tot nu toe gevonden exemplaren van Homo sapiens buiten Afrika.

Neanderthalers, Denisovamensen en Homo Sapiens
Het is een bekend feit dat mensen en neanderthalers zo'n 50.000 jaar geleden nageslacht hebben geproduceerd, waardoor alle mensen van recente niet-Afrikaanse afkomst een kleine hoeveelheid neanderthaler-DNA in hun cellen hebben. Er lijkt echter ook al meer dan 200.000 jaar sprake te zijn van kruisingen, wat neanderthalers menselijk DNA opleverde.
Uit DNA-onderzoek blijkt dat het overgrote deel van het DNA-materiaal van de moderne mens afkomstig is van migranten uit Afrika van rond 75.000 v.Chr. Er zijn echter sporen van een eerdere migratie rond 90.000 v.Chr.
Bijna tien jaar geleden zorgde de vondst van een stukje bot van een pink in Siberië voor de ontdekking van de denisovamensen. Deze familieleden van de neanderthalers kwamen gedurende tienduizenden jaren in Azië voor.
Volgens recent onderzoek leefden deze denisovamensen tot minimaal 30.000 jaar geleden naast de moderne mens en kregen zij ook gezamenlijke nakomelingen. Het is mogelijk dat dit zelfs tot 15.000 jaar geleden het geval was.
In de genen van moderne inwoners van Nieuw-Guinea zijn sporen te vinden van twee verschillende groepen denisova-voorouders. Deze raadselachtige oermensen, die een zustergroep vormden van de neanderthalers, zijn alleen bekend van enkele fossielen en het DNA dat zij hebben doorgegeven.
De voorouders van de denisovamensen splitsten zich waarschijnlijk minstens 400.000 jaar geleden af van hun neanderthaler-familieleden. De neanderthalers verspreidden zich over Europa en het Midden-Oosten, terwijl de denisovamensen richting Azië gingen.
Tegenwoordig bestaat het DNA van niet-Afrikaanse bevolkingsgroepen voor maximaal twee procent uit neanderthaler-materiaal, dat voor een deel gunstige eigenschappen biedt en het menselijk immuunsysteem helpt in de strijd tegen infectieziekten.
De meeste mensen van Aziatische afkomst beschikken over DNA afkomstig van denisovamensen, maar het genetisch materiaal van Melanesiërs kan zelfs voor wel zes procent afkomstig zijn van denisovamensen.
Een van de groepen denisovamensen, die nakomelingen kreeg met de voorouders van de moderne mensen die nu in Zuidoost-Azië en India leven, splitste zich zo'n 363.000 jaar geleden af van de Altaj-denisovamensen.
Het was tot voor kort onbekend hoe de denisovamensen diep water met sterke stromingen konden oversteken, wat eerder werd toegeschreven aan moderne mensen met boten. Recente ontdekkingen van de kleine Homo floresiensis, oud stenen gereedschap op het Indonesische eiland Sulawesi, en H. luzonensis op de Filippijnen, hebben dit idee echter aan het wankelen gebracht.
Hoewel er nog veel werk te verrichten is, zijn er al veelbelovende aanwijzingen dat sommige genen van denisova-oorsprong een centrale rol spelen in het immuunsysteem en de vetverbranding.

Migratiepatronen en Genetische Invloeden
De verdere verspreiding van de moderne mens over de aarde begon rond 71.000 v.Chr. vanuit de kustgebieden van Zuid-Afrika.
Door een glaciale periode tussen 74.000 en 60.000 jaar v.Chr. verslechterde de leefbaarheid van veel gebieden in Afrika.
Rond 45.000 v.Chr. vond de aankomst in West-Europa plaats, gevolgd door het uitsterven van de neanderthaler. Er was sprake van een beperkte genetische uitwisseling, waarbij ongeveer 1 tot 4% van het DNA bij West-Europeanen van neanderthaleroorsprong is.
De wolharige mammoet, wolharige neushoorn, reuzenhert en holenbeer stierven uit, mogelijk mede door menselijke bejaging. De moderne mens joeg waarschijnlijk intensiever op mammoeten dan de neanderthaler.
Rond 45.000 v.Chr. bereikte de moderne mens Australië, een migratie met zeewaardige boten. Rond 16.000 v.Chr. bereikte de mens Amerika.
Het DNA-profiel van een bewoner van het gebied rond het Baikalmeer, van 24.000 jaar geleden, geeft aanwijzingen dat de Amerikaanse indianen voor ongeveer een derde van Europese afkomst zijn en voor twee derde Oost-Aziatisch.
Er zijn sporen van een eerdere migratie rond 90.000 v.Chr. Een mogelijke verklaring voor het succes van deze mensensoort is dat de menselijke populaties in het Afrikaanse zuiden...
De meeste bewijzen voor menselijke aanwezigheid in Australië gaan terug tot zo'n 65.000 jaar BP. Migratie langs de kust verliep verder tot het oosten van China en uiteindelijk Japan.
Het is omstreden of deze kustmigratie ook Noord- en Zuid-Amerika bereikte. Volgens een theorie volgden zij de kust van de Stille Oceaan tot in Chili.
Vanaf omstreeks 55.000 BC verspreidde de moderne mens zich verder naar het noorden en westen, richting Europa en Centraal-Azië.
Gemiddeld is bij niet-Afrikaanse mensen 1 tot 4% van de genen van neanderthaleroorsprong. Bij de Australische Aborigines, Polynesiërs, Melanesiërs en verwante Oost-Aziatische bevolkingsgroepen is er gemiddeld 1 tot 6% van de genen van denisovamenselijke oorsprong.
Varianten van gen EPAS1, die het lichaam aanpassen voor het leven op grote hoogte, zijn afkomstig van denisovamens-achtige voorouders. Bij Tibetanen komt deze variant veelvuldig voor.