Bloedonderzoek Afwijkingen Zwangerschap: Oorzaken en Gevolgen

Elke zwangerschap brengt een klein risico op aangeboren afwijkingen met zich mee. Dit kunnen zowel lichamelijke, zoals een zesde teen, als chromosomale afwijkingen, zoals trisomie 21 (het syndroom van Down), zijn.

Chromosomen: De Blauwdruk van het Leven

Chromosomen zijn de dragers van de erfelijke eigenschappen en vormen de blauwdruk voor de ontwikkeling van een mens vanaf de bevruchting tot aan volwassenheid. Een mens heeft er 23 paar. Elk chromosoom is verantwoordelijk voor de vorming van specifieke lichaamsdelen. De twee geslachtschromosomen bepalen onder andere het geslacht. Een kind erft de helft van zijn genetische informatie van de moeder en de helft van de vader, waardoor eigenschappen worden doorgegeven.

Soms kan een chromosoom een stukje missen of juist een extra stuk bevatten, zoals bij het syndroom van Down. Dit kan gepaard gaan met een aangeboren afwijking. Door middel van screening kunnen artsen dergelijke afwijkingen al voor de geboorte opsporen.

Hoe Vaak Komen Afwijkingen Voor?

In 2018 werden in België 117.800 baby’s geboren. Van hen had 3% tot 5% een afwijking, waarvan lang niet alle genetisch van aard waren.

Syndroom van Down

Het risico op een kind met trisomie 21 (syndroom van Down) is afhankelijk van de leeftijd van de moeder. Bij moeders jonger dan 30 jaar is de kans 1 op 1.000, terwijl deze bij moeders ouder dan 40 jaar oploopt tot meer dan 1 op 100. Gemiddeld bedraagt de kans ongeveer 1 op 700.

Andere Afwijkingen

Open rug (spina bifida) komt voor bij 4,5 op 10.000 geboortes. Indien er reeds een geval in de familie voorkomt, verhoogt de kans tot 45 per 10.000. Het risico op trisomie 18 (Edwards syndroom) en trisomie 13 (Patau syndroom) zijn respectievelijk 1 op 8.000 en 1 op 12.000.

Screeningsmethoden Tijdens de Zwangerschap

Er zijn diverse screeningsmethoden beschikbaar om mogelijke afwijkingen tijdens de zwangerschap op te sporen:

Vroege Serumscreening

Dit bloedonderzoek vindt plaats tijdens het eerste trimester (week 8-13) van de zwangerschap. Het schat het risico op chromosomale afwijkingen door de hoeveelheid eiwitten PAPP-A (pregnancy-associated plasma protein A) en bèta-hCG (beta-humaan choriongonadotrofine) in het bloed te meten. Foetussen met het syndroom van Down hebben doorgaans een lager PAPP-A-gehalte en een hoger bèta-hCG dan normale foetussen.

Nekplooimeting

Via een echografisch onderzoek, uitgevoerd tussen zwangerschapsweek 10 en 13, wordt de dikte van de nekplooi van de foetus gemeten. Een abnormaal dikke nekplooi kan wijzen op een verhoogde kans op chromosomale afwijkingen. Bij foetussen met een verdikte nekplooi is er ook een groter risico op aangeboren hartafwijkingen (5 tot 10% van de kinderen).

Combinatietest

Deze test combineert de nekplooimeting met een serumscreening van de moeder en kan in het eerste trimester worden uitgevoerd. Factoren zoals de leeftijd van de moeder en de grootte van de foetus (kruin-romplengte) worden meegenomen om de waarschijnlijkheid op trisomie 21 in te schatten.

Illustratie van de nekplooimeting bij een foetus via echografie

Niet-Invasieve Prenatale Test (NIPT)

De NIPT is een niet-invasieve screeningstest voor trisomie 21, 18 en 13. Het analyseert het DNA van de baby dat zich in het bloed van de moeder bevindt. Deze test wordt vanaf 12 weken zwangerschap uitgevoerd en heeft een detectiegraad van meer dan 99% voor het syndroom van Down, met een vals positieve kans van minder dan 1%. Sinds 1 juli 2017 wordt de NIPT terugbetaald voor elke zwangere vrouw.

Echografiescreening voor Structurele Afwijkingen

Structurele afwijkingen betreffen afwijkingen in de fysieke opbouw van lichaamsdelen, zoals een ontbrekend ledemaat, een afwijkend hoofdformaat, een hazenlip of een open rug. Echografisch onderzoek kan deze structurele ‘fouten’ vaststellen. Indien een structurele afwijking wordt opgemerkt, kan verder chromosomaal onderzoek worden ingezet. Verdachte bevindingen op de echo, zoals een verdikte nekplooi of een afwezig neusbeentje, kunnen wijzen op chromosomale afwijkingen.

Screening bij Tweelingzwangerschap

Bij een tweelingzwangerschap wordt via echografie het aantal vruchtzakjes (choria) bepaald. Dit is van belang om te differentiëren tussen eeneiige (één vruchtzak) en twee-eiige (meestal twee vruchtzakken) tweelingen.

Foetaal Chromosoomonderzoek: Diagnostische Tests

Wanneer er een vermoeden bestaat op chromosomale afwijkingen na eerdere onderzoeken, kan foetaal chromosoomonderzoek worden uitgevoerd. Deze tests zijn zeer betrouwbaar (99% zekerheid) en vereisen een staal van cellen van de foetus of de moederkoek. De twee belangrijkste methoden zijn de vlokkentest en de vruchtwaterpunctie. Het is belangrijk te weten dat deze invasieve tests een klein risico met zich meebrengen, met een kans op abortus tot 1 op 100 bij de vlokkentest en 1 op 200 bij de vruchtwaterpunctie.

Vlokkentest (Chorion Villus Biopsie, CVS)

Deze test kan vanaf de 10e zwangerschapsweek worden uitgevoerd. Met een naald worden cellen van de moederkoek (placenta) weggenomen, die genetisch nagenoeg identiek zijn aan die van de foetus.

Vruchtwaterpunctie (Amniocentese)

Meestal uitgevoerd tussen de 15e en 16e zwangerschapsweek. Via echografie wordt een naald in de vruchtwaterzak ingebracht om cellen van de foetus te verkrijgen. Naast chromosomaal onderzoek kan ook de hoeveelheid van het eiwit AFP (alfa-foetoproteïne) worden gecontroleerd, dat verhoogd kan zijn bij structurele afwijkingen.

Schematische weergave van de vlokkentest en vruchtwaterpunctie

Voor Wie is Prenatale Screening?

Prenatale screening op foetale en chromosomale afwijkingen is een persoonlijke keuze van de zwangere vrouw en haar partner. Zij beslissen hierover na informatie te hebben ontvangen over de betrouwbaarheid en risico's. Indien men besluit een kind met een zware handicap te houden, is screening minder relevant. Daarentegen, indien een zwangerschapsonderbreking overwogen wordt bij een ernstige handicap, is prenatale screening wel aan te raden.

Betrouwbaarheid van Screeningsresultaten

Het is cruciaal om te beseffen dat screeningsresultaten soms vals negatief (afwijking niet gedetecteerd, maar wel aanwezig na geboorte) of vals positief (afwijking gedetecteerd, maar niet aanwezig) kunnen zijn. Daarom is het essentieel dat ouders vooraf nadenken over hun wensen indien een afwijking wordt vastgesteld. In geval van een afwijkende uitslag, zal de arts verder onderzoek voorstellen, zoals een vlokkentest of vruchtwaterpunctie.

Onderzoek toont aan dat ongeveer een derde van de jonge vrouwen die een ‘afwijkende’ screeningstest hadden, achteraf spijt heeft van de keuze om te screenen.

Wanneer is Chromosoomonderzoek Aangewezen?

Chromosoomonderzoek kan overwogen worden in de volgende situaties:

  • De leeftijd van de zwangere is meer dan 40 jaar.
  • De arts stelt een verhoogd risico vast na serumscreening of een combinatie van echografie en serumscreening.
  • Er worden foetale afwijkingen vastgesteld tijdens een echografie.
  • Er wordt een structurele afwijking vastgesteld bij de baby tijdens een echografie, zoals een verdikte nekplooi, darmafwijkingen, uitgezette nierkelken, cysten in de hersenen of groeiachterstand.
  • Een van de ouders of een eerder kind heeft een chromosoomafwijking.

Wat Na het Onderzoek of Screening?

Bij abnormale resultaten van chromosoomonderzoek is genetische counseling van groot belang om de bevindingen te begrijpen en verdere stappen te plannen.

Doorgaan met de Zwangerschap

Indien men besluit door te gaan met de zwangerschap, wordt verdere begeleiding gepland om een optimale zwangerschap, bevalling en zorg voor het pasgeboren kind te garanderen.

Beëindiging van de Zwangerschap

In België is zwangerschapsafbreking wettelijk toegestaan tot de 12e week. Na deze periode is het onder bepaalde omstandigheden mogelijk, met name bij ernstige, ongeneeslijke misvormingen vastgesteld door artsen. Er geldt een wettelijke bedenktijd van minimaal 6 dagen. Bij een zwangerschapsafbreking van een gevorderde zwangerschap is dit in feite een vroegtijdige bevalling, die goede voorbereiding vereist.

Indien een zwangerschap wordt beëindigd vanwege een aangeboren afwijking, wordt de precieze aard van de afwijking onderzocht. Dit onderzoek helpt ouders om de toekomst beter in te schatten, inclusief het risico op herhaling bij volgende zwangerschappen en de mogelijke tests die dan uitgevoerd kunnen worden.

Risico op Herhaling en Genetisch Advies

Tussen 2% tot 4% van alle kinderen wordt geboren met een erfelijke of aangeboren aandoening. Prenatale diagnostiek kan sommige van deze afwijkingen opsporen. Het risico op herhaling van een afwijking bij een volgend kind is niet altijd eenvoudig te beantwoorden. Het is daarom wenselijk om vóór een zwangerschap een genetisch centrum te raadplegen voor erfelijkheidsonderzoek.

Een verhoogd risico op een chromosoomafwijking van het kind bestaat, met name naarmate de moeder ouder wordt. Ook een verhoogd risico op een neurale-buisdefect, zoals een open rug, kan voorkomen, vooral als dit in de familie voorkomt. Er is ook een verhoogde kans op erfelijke aandoeningen of aangeboren afwijkingen, bijvoorbeeld na de geboorte van een eerder kind met een afwijking of bij erfelijke ziekten in de familie.

Een normale uitslag bij prenataal onderzoek sluit niet uit dat het kind toch afwijkingen zal hebben of later zal ontwikkelen. Er blijft altijd een kans op een aangeboren of later optredende afwijking waarvoor geen gericht onderzoek werd verricht.

1. Chromosomale Afwijkingen

Chromosomen, de dragers van erfelijke informatie, bevatten normaal gesproken 46 eenheden per celkern. Een fout in de rijping van eicellen of zaadcellen, of in de samensmelting ervan, kan leiden tot structurele afwijkingen of een verkeerd aantal chromosomen. Dit kan grote gevolgen hebben, aangezien een heel cluster van erfelijke eigenschappen wordt beïnvloed.

Een verhoogd risico op een chromosomale aandoening bestaat wanneer:

  • De moeder ouder is dan 35 jaar: Hoe hoger de leeftijd, hoe groter de kans op een afwijkend aantal chromosomen. Het syndroom van Down (trisomie 21) is de meest bekende en voorkomende afwijking. De kans op Downsyndroom bij een 40-jarige zwangere is ongeveer 1 op 80, vergeleken met 1 op 1500 bij een 20-jarige.
  • Bij een vorig kind een afwijking in het aantal chromosomen werd vastgesteld: Meestal betreft dit het syndroom van Down. De kans op herhaling bij een volgende zwangerschap is slechts 1 op 100, mits de chromosomenkaart van de ouders normaal is. Bij een erfelijke vorm van Down is de kans op herhaling groter.
  • Eén van de ouders drager is van een afwijking in de structuur van de chromosomen: Dit kan leiden tot ongebalanceerde chromosoomafwijkingen bij nakomelingen, met mentale achterstand en/of aangeboren lichamelijke afwijkingen tot gevolg. Dit wordt vaak gevonden bij echtparen met herhaalde miskramen of vruchtbaarheidsproblemen.
  • Echografisch onderzoek wijst op een chromosomale afwijking: Een ernstig hartprobleem of een verdikte nekplooi (nekoedeem) tussen 10 en 14 weken kan wijzen op een verhoogd risico.
  • Een afwijkende tripletest: De tripletest meet de waarden van AFP, HCG en oestriol in het bloed van de moeder en kan een verhoogd risico op Downsyndroom aangeven. Voor zekerheid is aanvullend prenataal onderzoek nodig.

2. Monogene Aandoeningen

Ongeveer 30.000 genen bepalen onze erfelijke eigenschappen. Fouten (mutaties) in deze genen kunnen leiden tot erfelijke ziekten, zogenaamde monogene aandoeningen. Voor een groeiend aantal van deze aandoeningen is prenatale diagnostiek mogelijk.

Belangrijke overwegingen zijn:

  • Autosomaal dominante aandoening bij een van beide partners: Het risico op een aangetast kind is 50% (bv. myotone dystrofie, ziekte van Huntington).
  • Beide partners drager van een autosomaal recessieve aandoening: Het risico om een aangetast kind te hebben is 25% (bv. mucoviscidose, spinale musculaire atrofie).
  • Vrouw draagster van een geslachtsgebonden recessieve aandoening: Vooral jongens zijn getroffen; zij hebben 50% kans om de aandoening te hebben. Meisjes hebben 50% kans om draagster te zijn (bv. spierziekte van Duchenne).

3. Neurale Buisdefecten

De neurale buis vormt zich vroeg in de zwangerschap en ontwikkelt zich tot het ruggenmerg en de hersenen. Een defect hierin kan leiden tot een open rug (spina bifida) of een open schedel (anencefalie). Kinderen met een open rug zijn vaak lichamelijk en soms verstandelijk gehandicapt, terwijl kinderen met een open schedel meestal overlijden na de geboorte.

Hoewel de precieze oorzaak niet volledig bekend is, speelt erfelijke aanleg een rol, evenals externe factoren zoals medicijngebruik. De inname van foliumzuur rond de conceptie vermindert de kans op neurale buisdefecten.

Een verhoogd risico op een neuraal buisdefect is aanwezig bij:

  • Familiale voorgeschiedenis: Als een familielid een neuraal buisdefect heeft.
  • Gebruik van bepaalde geneesmiddelen: Met name anti-epileptica.
  • Suikerziekte (diabetes): Verhoogd risico, vooral bij hoge bloedsuikers in het begin van de zwangerschap.
  • Afwijkende AFP-waarde in het bloed van de moeder: Een te hoge AFP-waarde kan wijzen op een kind met een open rug of schedel.

Onderzoek naar open rug of schedel gebeurt via echoscopie. Soms wordt aanvullend vruchtwateronderzoek gedaan om de AFP-waarde te meten. Een vlokkentest kan deze aandoeningen niet aantonen.

4. Stofwisselingsstoornissen

Sommige aangeboren of erfelijke aandoeningen bij een eerder kind worden veroorzaakt door een stofwisselingsstoornis. De herhalingskans hiervoor is meestal 25%. In een volgende zwangerschap kan stofwisselingsonderzoek (biochemische diagnostiek) plaatsvinden.

5. Overige Aangeboren of Erfelijke Aandoeningen

Wanneer de oorzaak van een aangeboren of erfelijke aandoening niet in chromosomen, DNA-afwijkingen of stofwisseling ligt, kan er toch een verhoogde kans bestaan op een kind met een dergelijke aandoening. Ook wanneer tijdens een echografie een ernstige afwijking wordt vastgesteld, zoals een aangeboren hartafwijking, kan verder onderzoek noodzakelijk zijn.

Biochemische Zwangerschap

Een biochemische zwangerschap is een zwangerschap die wel begint, maar zich niet verder ontwikkelt. Dit wordt vaak ontdekt via een vroege zwangerschapstest met een verhoogde bèta-hCG-waarde, gevolgd door het begin van de menstruatie. Op een echo is nog geen vruchtzak zichtbaar.

De meest voorkomende oorzaak is chromosomale afwijkingen in het embryo. Andere oorzaken zijn problemen met de innesteling, hormonale stoornissen, immunologische of bloedstollingsproblemen, en de leeftijd van de vrouw (na 35 jaar neemt de kwaliteit van eicellen af).

Een biochemische zwangerschap betekent meestal niet dat er problemen zullen zijn om opnieuw zwanger te worden.

Miskraam

Een miskraam is een spontane onderbreking van een zwangerschap vóór 22 weken. Een vroege miskraam treedt op vóór 14 weken en eindigt 15% van alle zwangerschappen wereldwijd spontaan vóór 22 weken.

De meest voorkomende symptomen zijn vaginale bloedingen, vaak met buikkrampen. Een plots verdwijnen van zwangerschapsklachten kan ook voorkomen. Soms is er sprake van een ‘stille’ miskraam, die tijdens een controle-echografie wordt ontdekt.

Een vroege miskraam kan lijken op een menstruatie. Een bloedtest op bèta-HCG kan uitsluitsel geven. Bij herhaalde vroege miskramen kan een afwijking van de baarmoeder een rol spelen.

tags: #bloedonderzoek #afwijkingen #zwangerschap