Kinderen met een ontwikkelingsachterstand vertonen een langzamere ontwikkeling in vergelijking met hun leeftijdsgenoten. Het medische woord voor ontwikkelingsachterstand is retardatie. Wanneer deze achterstand zich primair uit in motorische vaardigheden, spreekt men van een motore retardatie. Indien hierbij ook de spraakontwikkeling trager verloopt of de sociaal-emotionele ontwikkeling achterblijft, wordt dit een psychomotore retardatie genoemd.
Officieel wordt er pas gesproken van een verstandelijke beperking wanneer het totale IQ (intelligentiequotiënt) beneden de 70 ligt en er tevens beperkingen zijn in het dagelijks functioneren. Bij kinderen met een IQ tussen de 50 en 70 wordt gesproken van een lichte verstandelijke beperking, terwijl een IQ onder de 50 duidt op een ernstige verstandelijke beperking. Het is belangrijk op te merken dat bij jonge kinderen het IQ nog niet betrouwbaar te bepalen is. Een vertraagde ontwikkeling op jonge leeftijd betekent dus niet automatisch dat het kind een blijvend IQ onder de 70 zal hebben.
In het verleden werd de term mentale retardatie vaak gebruikt, wat synoniem is aan verstandelijke beperking. Tegenwoordig wordt deze term minder frequent toegepast. Wanneer de oorzaak van een ontwikkelingsachterstand nog onbekend is, wordt tegenwoordig de term SWAN (Syndroom zonder bekende naam) gebruikt.
Een deel van de kinderen ervaart een ernstige of zeer ernstige ontwikkelingsachterstand op meerdere gebieden. De precieze prevalentie van ontwikkelingsachterstanden bij kinderen is niet goed bekend. Wel is er meer bekend over de frequentie van verstandelijke beperkingen: naar schatting één op de 30-50 kinderen in Nederland heeft een verstandelijke beperking. Kinderen met een verstandelijke beperking hebben vaak een ontwikkelingsachterstand, maar het omgekeerde geldt niet: niet alle kinderen met een ontwikkelingsachterstand hebben een verstandelijke beperking.
Een ontwikkelingsachterstand kan op elke leeftijd duidelijk worden. Zowel jongens als meisjes kunnen erdoor getroffen worden, hoewel jongens er vaker mee te maken krijgen dan meisjes. De oorzaken van een ontwikkelingsachterstand zijn zeer divers. Bij ongeveer de helft van de kinderen met een ontwikkelingsachterstand lukt het om de specifieke oorzaak te achterhalen; bij de andere helft blijft de oorzaak anno 2022 nog onbekend.
De ontwikkeling van het jonge kind
De aanleg van de hersenen begint al tijdens de zwangerschap en gaat door na de geboorte, wat de basis vormt voor de ontwikkeling van het kind. Kort na de geboorte vindt voornamelijk ontwikkeling plaats op het gebied van zicht en gehoor, gevolgd door de motorische ontwikkeling. Wanneer de motorische ontwikkeling vordert, volgt de spraak- en taalontwikkeling. Daarna ontwikkelen zich de sociaal-emotionele ontwikkeling en de cognitieve ontwikkeling, die het vermogen om te denken en te leren omvat. Kinderen met een ontwikkelingsachterstand hebben vaak problemen op al deze gebieden, waarbij de sociaal-emotionele en cognitieve problemen doorgaans het meest prominent zijn. In zulke gevallen spreekt men van een globale ontwikkelingsachterstand. Soms zijn de problemen echter beperkt tot één specifiek ontwikkelingsdomein, terwijl andere domeinen zich normaal ontwikkelen. Bij kinderen die zich langzamer bewegen, maar geen problemen hebben met taal of sociaal-emotionele ontwikkeling, spelen vaak andere oorzaken een rol.

Motorische ontwikkeling
Kinderen met een ontwikkelingsachterstand gaan later rollen, zitten, staan en lopen dan hun leeftijdsgenoten. Het is afhankelijk van de ernst en oorzaak van de achterstand of kinderen uiteindelijk zullen gaan staan en lopen. Globaal geldt dat kinderen eerst gaan zitten voordat ze gaan staan en lopen. Een kind dat niet gaat zitten, zal waarschijnlijk ook niet lopen. De gemiddelde leeftijd waarop kinderen gaan staan is 10 maanden, en voor lopen is dit 15 maanden. Wanneer kinderen na de leeftijd van 18-21 maanden nog niet lopen, ontwikkelen zij zich trager dan hun leeftijdsgenoten.
In Nederland neemt het billenschuiven toe. Voor kinderen die billenschuiven is het moeilijker om te gaan staan en te leren lopen. Bij kinderen met een ontwikkelingsachterstand die wel leren lopen, oogt het bewegen vaak houterig. De bewegingen zijn minder soepel en vloeiend, wat leidt tot vaker struikelen en vallen. Hoewel dit met het ouder worden kan verbeteren, hebben veel van deze kinderen ook last van een lage spierspanning, waardoor gewrichten gemakkelijk overstrekt kunnen worden. Deze lage spierspanning kan ook leiden tot platvoeten. Sommige kinderen ontwikkelen op latere leeftijd een te hoge spierspanning in de benen en/of armen, wat spasticiteit wordt genoemd. Een deel van de kinderen ervaart ook overtollige bewegingen die veel energie kosten en het evenwicht kunnen verstoren. Daarnaast hebben kinderen met een ontwikkelingsachterstand vaak problemen met de fijne motoriek.
Taalontwikkeling
Bij kinderen met een globale ontwikkelingsachterstand verloopt de taalontwikkeling vaak trager dan bij leeftijdsgenoten. De eerste geluidjes, woordjes en zinnetjes verschijnen op latere leeftijd. Gemiddeld zegt een kind de eerste woordjes rond de leeftijd van één jaar, en rond 18 maanden kent een kind ongeveer 10 woordjes. Naast het zelf spreken, is ook het begrijpen van wat anderen zeggen vaak moeilijker voor kinderen met een ontwikkelingsachterstand. Opdrachten moeten vaak eenvoudig gehouden worden.
Taalontwikkelingsstoornissen (TOS) komen voor bij 5% tot 7% van de bevolking en kunnen leiden tot problemen op school. Kinderen met TOS begrijpen of spreken taal minder goed, waardoor ze leraren en klasgenoten vaak minder goed begrijpen. Dit kan leiden tot frustratie, angst en belemmering van het leerproces. Er is een aanzienlijke overlap tussen TOS en andere stoornissen zoals autisme, ADHD, DCD (Developmental Coordination Disorder) of dyslexie. Ongeveer de helft van de kinderen met TOS heeft ook dyslexie. Kinderen met TOS kunnen ook aandachtsproblemen ervaren, wat het begrip van lessen bemoeilijkt. Een vroegtijdige signalering van TOS is cruciaal, aangezien de problemen, met name op sociaal-emotioneel gebied, groter worden naarmate men langer wacht met gerichte interventie. Kleuters met TOS gebruiken doorgaans weinig woorden en spreken in korte zinnen, waarbij ze moeite hebben met het beantwoorden van vragen, het begrijpen van opdrachten en het herkennen van emoties. Vanaf groep 3 worden de problemen met instructies, klassengesprekken, het vertellen van ervaringen en het omgaan met conflicten nog prominenter. Kinderen met TOS hebben vaak moeite met het verwoorden van hun gedachten, gevoelens en behoeften, wat leidt tot sociale moeilijkheden. Ze kunnen moeite hebben met het aangaan van gesprekken, het begrijpen van grapjes, het meedoen aan spelletjes, samenwerken, voor zichzelf opkomen en onderhandelen. Ook het herkennen en benoemen van emoties is lastiger, wat kan leiden tot probleemgedrag. Kinderen met TOS vinden het verwoorden van emoties net zo moeilijk als andere taaluitingen en hebben hierbij extra ondersteuning nodig. Het is belangrijk om emoties te benoemen, het kind te helpen deze te uiten en gebruik te maken van hulpmiddelen zoals emotiekaartjes.
Kinderen met TOS hebben vaak ook problemen met de executieve functies, zoals het werkgeheugen, inhibitie (remming) en cognitieve flexibiliteit. Het werkgeheugen slaat nieuwe informatie tijdelijk op, maar kinderen met TOS kunnen gesproken informatie vaak minder goed vasthouden. Door problemen met inhibitie worden ze sneller afgeleid en hebben ze meer moeite om automatische reacties te onderdrukken. Ook zijn ze soms minder flexibel in het aanpassen van hun plannen. Deze problemen, gecombineerd met aandachtsproblemen door de moeite met het begrijpen van lessen en overprikkeling, kunnen leiden tot gedragsproblemen. Kinderen met TOS kunnen ongemotiveerd lijken, een negatief zelfbeeld hebben en negatieve reacties van hun omgeving ontvangen, wat kan leiden tot angst, boosheid en frustratie.

IQ en cognitieve ontwikkeling
Het intelligentiequotiënt (IQ) is een score die voortkomt uit gestandaardiseerde tests die verschillende cognitieve vaardigheden meten, zoals ruimtelijk inzicht en werkgeheugen. De exacte relatie tussen IQ en taalontwikkeling is nog niet volledig duidelijk, maar taal speelt een cruciale rol bij het begrijpen van de wereld, het leren en het uiten van zichzelf. Een vertraagde woordenschat en auditief geheugen, zoals bij een jong kind kan voorkomen, kan invloed hebben op het latere leervermogen, inclusief leesvaardigheid, wat op zijn beurt het IQ kan beïnvloeden.
Kinderen met een ontwikkelingsachterstand hebben vaak ook problemen met het werkgeheugen. Het werkgeheugen is essentieel voor het verwerken en bewerken van informatie die in het kortetermijngeheugen terechtkomt. Dit geheugen heeft een beperkte capaciteit en kan overbelast raken, wat leidt tot afleiding, moeite met het onthouden van instructies en het afronden van taken. Ongeveer 10% van de leerlingen in het reguliere basisonderwijs heeft hierdoor moeite om op niveau te blijven. Kenmerken van een zwakker werkgeheugen zijn onder andere snelle afleidbaarheid, moeite met het afronden van taken, slordigheidsfouten, moeite met het onthouden van instructies en vergeetachtigheid. Ook automatiseringsproblemen kunnen voorkomen, waardoor er meer informatie in het werkgeheugen verwerkt moet worden.
Leerkrachten kunnen leerlingen met een zwakker werkgeheugen ondersteunen door middel van herhaling en routines, het gebruik van visuele materialen naast gesproken uitleg, en het creëren van een rustige werkomgeving. Training van het werkgeheugen kan ook helpen.
Lage verwerkingssnelheid is een ander aspect dat de cognitieve ontwikkeling kan beïnvloeden. Dit verwijst naar de tijd die nodig is om informatie waar te nemen, te verwerken en een reactie te geven. Problemen met verwerkingssnelheid kunnen zich uiten in traagheid bij schoolse taken, sociale interacties en dagelijkse routines thuis. Dit kan een aanwijzing zijn voor onderliggende problemen zoals aandachtsproblemen (ADHD), leermoeilijkheden, of autisme. Het is belangrijk om deze kinderen te accepteren, aanpassingen te doen en als pleitbezorger op te treden. Het boek "Ik snap het wel, maar niet zo snel…" biedt praktische tips voor zowel thuis als op school.
Concentratieproblemen bij kinderen kunnen tijdelijk zijn, gerelateerd aan specifieke situaties, of een kenmerk van het kind zelf zijn, zoals bij ADHD of ADD. Kenmerken van aandachtsproblemen zijn een korte spanningsboog, snelle afleidbaarheid, moeite met het afmaken van taken, chaotisch gedrag en impulsiviteit. Op school kan dit zich uiten in moeite met opletten, het niet op tijd afkrijgen van werk, of afleiding door klasgenoten. Een observatie door de leerkracht en eventueel een psychologisch-didactisch onderzoek kunnen helpen de oorzaak te achterhalen en passende ondersteuning te bieden.
Geheugen en aandacht
Het geheugen speelt een fundamentele rol in de cognitieve ontwikkeling en het leerproces. Zoals eerder genoemd, is het werkgeheugen essentieel voor het actief verwerken van informatie. Problemen met het werkgeheugen kunnen leiden tot moeite met het onthouden van instructies, het volgen van meerstapshandelingen en het afronden van taken. Dit kan zich manifesteren als vergeetachtigheid en slordigheidsfouten.
De spanningsboog, of aandachtsspanne, is direct gerelateerd aan concentratie. Kinderen met een ontwikkelingsachterstand hebben vaak een kortere spanningsboog, waardoor ze sneller afgeleid raken en moeite hebben om hun aandacht bij een taak te houden. Dit kan leiden tot problemen op school, waar langdurige concentratie vaak vereist is. Factoren zoals overprikkeling, vermoeidheid en emotionele belasting kunnen de aandachtsspanne verder beïnvloeden.
Concentratieproblemen kunnen divers zijn. Sommige kinderen hebben moeite met het volhouden van aandacht (ADD), terwijl anderen ook hyperactief en impulsief zijn (ADHD). Beide vormen kunnen leiden tot problemen met het uitvoeren van schoolse taken, het volgen van instructies en het omgaan met leeftijdsgenoten. Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen tijdelijke concentratiemoeilijkheden, veroorzaakt door externe factoren, en een chronische concentratiestoornis.
Working Memory
Specifieke problemen en syndromen
Kinderen met een ontwikkelingsachterstand kunnen diverse specifieke problemen ervaren:
- Problemen met zien komen vaker voor.
- Gedragsproblemen, zoals aanhankelijkheid, angst voor nieuwe situaties, behoefte aan vaste gewoontes, maar ook snelle boosheid, frustratie, en problemen met aandacht, concentratie en stilzitten (AD(H)D-kenmerken).
- Autistische kenmerken, waaronder moeite met (oog)contact en behoefte aan een vaste, voorspelbare structuur.
- Overprikkeling, waarbij de hersenen te veel prikkels te verwerken krijgen, wat functioneren en leren bemoeilijkt.
- Slaapproblemen.
- Problemen met eten en drinken, waaronder moeite met drinken, pakken van de borst of speen, en later problemen met kauwen en slikken. Soms ook uitgesproken voorkeuren voor bepaald voedsel.
- Zindelijkheidsproblemen, waarbij kinderen later zindelijk worden voor urine en ontlasting.
- Epilepsie komt vaker voor, geschat bij één op de vijf kinderen met een ontwikkelingsachterstand en verstandelijke beperking.
- Typisch uiterlijk, variërend van subtiele kenmerken zoals laagstaande oren tot meer opvallende uiterlijke veranderingen.
- Afwijkend groeipatroon, zoals kleinere of juist grotere gestalte, of een afwijkende hoofdomvang.
- Verhoogde verkromming van de wervelkolom (scoliose, kyfose, lordose).
- Snellere vermoeidheid, deels door de hogere energiebehoefte voor bewegen, praten, voelen en denken, en deels door epilepsie.
Diagnostiek en onderzoek
De diagnose van een ontwikkelingsachterstand wordt gesteld op basis van het verhaal van ouders/verzorgers en bevindingen bij onderzoek. Er bestaan gestandaardiseerde vragenlijsten en testen om de ontwikkeling van een kind te beoordelen. Een neuropsycholoog of orthopedagoog kan gespecialiseerde testen afnemen, zoals de WPPSI, SON-R of WISC, die verschillende cognitieve vaardigheden en het IQ meten, inclusief het verbale en performale IQ. Een fysiotherapeut beoordeelt de motorische ontwikkeling met testen zoals de Movement-ABC-test en kan de oorzaken van afwijkende bewegingen analyseren. Een logopedist evalueert de spraak-, woordenschat- en zinsbouwontwikkeling.
Aanvullend onderzoek kan omvatten:
- MRI-scan van de hersenen: Om de aanleg van de hersenen te beoordelen, hoewel afwijkingen hierop niet altijd aanwezig zijn bij functionele problemen.
- Hersenfilmpje (EEG): Om de activiteit van de hersenen te meten en te kijken of bepaalde delen trager functioneren.
- Chromosomenonderzoek: Om afwijkingen aan chromosomen te detecteren, zoals bij het Down-syndroom.
- Whole exome sequencing (WES): Een geavanceerd DNA-onderzoek om fouten in het DNA op te sporen die een ontwikkelingsachterstand kunnen veroorzaken.
- Bloed- en urineonderzoek: Om stofwisselingsziekten op te sporen.
- Huid- of spierbiopsie: Om de functie van mitochondriën te onderzoeken.
- Lumbaalpunctie: Om hersenvocht te onderzoeken op ontstekingen, infecties of stofwisselingsziekten.
- Onderzoek door een oogarts en KNO-arts vanwege de hogere prevalentie van visuele en auditieve problemen.
Een klinisch geneticus is gespecialiseerd in ontwikkelingsachterstanden veroorzaakt door chromosoom- of DNA-afwijkingen.
Behandeling en stimulatie
Meestal bestaat er geen behandeling die de oorzaak van een ontwikkelingsachterstand kan wegnemen. De focus ligt daarom op het stimuleren van de ontwikkeling, vaak op speelse wijze. Kinderen met een ontwikkelingsachterstand hebben vaak meer oefening nodig om nieuwe vaardigheden aan te leren, zonder hen te overvragen. Het is belangrijk om de ontwikkeling van kinderen zo veel mogelijk te stimuleren.
De drie A's worden geadviseerd voor begeleiding van kinderen met een lage verwerkingssnelheid: Accepteren dat hun eigenschappen deel uitmaken van wie ze zijn, Aanpassen aan hun tempo en hen helpen strategieën te ontwikkelen, en Advocaat zijn door samen met school en externe professionals een plan te maken.
Thuis kunnen strategieën zoals het aanhouden van vaste routines, het aanpassen van communicatie (tempo, toon, complexiteit), timemanagement en het gebruik van verbale en visuele hulpmiddelen helpen. Op school is een empathische leerkracht die rekening houdt met de werkbelasting, structuur biedt en informatie op een duidelijke manier presenteert, essentieel. Voldoende tijd voor taken, het leren van timemanagement en het inzetten van technologie kunnen ook bijdragen.
Sociale vaardigheden kunnen worden ondersteund door kinderen te leren gesprekken te vertragen, verduidelijkingsvragen te stellen, actief te luisteren en aandacht te richten op de spreker. Het herkennen van onderliggende gevoelens bij anderen is ook belangrijk. Om emotionele kosten, zoals een laag zelfbeeld, depressie of angst, te beperken, is het raadzaam om emotionele gesprekken te temperen, te focussen op sterke punten en plezierige activiteiten te organiseren.

tags: #taalontwikkeling #iq #geheugen #spanningsboog #jonge #schoolkind