Taalontwikkelingsproblemen: Inzicht en Behandeling

Kinderen met blijvende gehoorstoornissen ondervinden meestal problemen in hun spraak- en taalontwikkeling. Hoewel zij een hoorapparaat of cochleair implantaat dragen, is extra spraak- en taalstimulatie een must. Wanneer ouders weinig met hun kind communiceren of weinig boekjes voorlezen, zou de taalontwikkeling aanvankelijk wat trager kunnen verlopen door het beperkte taalaanbod.

Wat zijn Taal- en Spraakstoornissen?

Taal- en spraakstoornissen zijn beide vormen van communicatiestoornissen. Bij een spraakstoornis is er een probleem in de productie van de gesproken taal, zoals stotteren, dysarthrie, verbale ontwikkelingsdyspraxie, verbale apraxie of stemstoornissen. Deze stoornissen kunnen zowel bij kinderen als bij volwassenen voorkomen.

Bij een taalstoornis treedt er een probleem op in het verwerven van of inzicht hebben in het hanteren van grammaticale en communicatieve regels. Dit kan betrekking hebben op de inhoud (semantiek), de vorm (fonologie, morfologie, syntaxis) of het gebruik (pragmatiek). De stoornis kan zowel het taalbegrip (receptieve taalstoornis) als de taalproductie (expressieve taalstoornis) of beide domeinen tegelijkertijd beïnvloeden. Voorbeelden zijn een taalontwikkelingsstoornis of dysfasie.

Volgens de DSM-5 heeft iemand met een taalstoornis moeite met het verwerven en gebruiken van alle soorten taalgebruik (schrijven, spreken, etc.) door tekorten in taalreceptie of -productie. Kenmerken hiervan zijn een minder grote woordenschat, moeite met zinsstructuur (grammaticale en morfologische regels) en moeite met gesprekken (bv. situaties beschrijven, zinnen verbinden). Er is een wezenlijk verschil in het taalniveau ten opzichte van leeftijdsgenoten, wat leidt tot beperkingen en participatieproblemen in het dagelijks leven (school, werk, sociaal leven). Deze moeilijkheden moeten al ontstaan in de vroege ontwikkelingsperiode en niet beter verklaard mogen worden door andere aandoeningen zoals zintuiglijke of motorische aandoeningen, of een verstandelijke beperking.

Primaire en Secundaire Taalstoornissen

Taalstoornissen worden verder onderverdeeld in primaire en secundaire taalstoornissen.

  • Bij een primaire taalstoornis is de vertraagde of afwijkende taalontwikkeling een op zichzelf staand probleem. Dit is de taalstoornis zoals omschreven in de DSM-5 en wordt algemeen verstaan onder 'taalstoornis'.
  • Bij een secundaire taalstoornis is de verstoorde taalontwikkeling het gevolg van een andere stoornis, zoals een autismespectrumstoornis, verstandelijke handicap of gehoorproblemen.

Bij kinderen spreekt men vaak over spraak- en taalontwikkelingsstoornissen (STOS). Dit omvat alle stoornissen in de opbouw van het spraak- en taalsysteem waardoor het praten langzamer of anders ontwikkelt dan bij leeftijdsgenoten, of helemaal niet ontwikkelt. Het leren van de taal is hierbij verstoord. De aard en ernst van deze stoornissen kunnen variëren. Een STOS komt zelden geïsoleerd voor en kan negatieve gevolgen hebben voor de ontwikkeling van andere functies, zoals cognitieve ontwikkeling, sociale interacties en emotiehantering.

Ontwikkelingsdysfasie: Een Diepgaande Kijk

Ontwikkelingsdysfasie is een primaire, hardnekkige taalontwikkelingsstoornis. Er is sprake van een ernstige taalachterstand, waarbij de taalontwikkeling niet enkel vertraagd, maar ook anders verloopt. De taalproblemen blijven aanwezig ondanks intensieve, aangepaste logopedie en kunnen niet verklaard worden vanuit andere ontwikkelingsproblemen zoals gehoor-, verstandelijke, visus-, motorische, sociale en/of emotionele problemen, of een onvoldoende taalaanbod. Bij een meertalige opvoeding zijn de problemen in alle talen aanwezig.

Oorzaken van Ontwikkelingsdysfasie

Ontwikkelingsdysfasie heeft geen eenduidige oorzaak. Vermoedelijk gaat het om een interactie tussen zowel genetische factoren als omgevingsfactoren.

Kenmerken van Ontwikkelingsdysfasie

Kinderen met ontwikkelingsdysfasie ervaren vaak moeilijkheden met:

  • Het begrijpen en onthouden van zuiver verbale opdrachten.
  • Het begrijpen van abstracte begrippen van tijd en ruimte.
  • Een beperkte woordenschat en moeite met woordvinding.
  • Zich uitdrukken in correcte zinsconstructies.
  • Het correct toepassen van grammaticale regels (bv. vervoegingen).
  • Het vertellen van een verhaal, wat moeizaam en weinig gestructureerd verloopt.
  • Spontaan praten.
  • Het maken van opvallend veel gebruik van niet-verbale communicatie (gebaren, wijzen, aanraken, gelaatsuitdrukkingen).
  • Verstaanbaarheid.

Specifiek voor deze stoornis is het hardnekkige karakter ervan: ondanks intensieve logopedie evolueert de spraak- en taalontwikkeling minder goed dan bij kinderen met een vertraagde spraak- en taalontwikkeling (VSTO), en kan de achterstand ten opzichte van leeftijdsgenoten toenemen.

De taalprofielen van deze kinderen kunnen wel veranderen doorheen de tijd. Zo kan een kind op kleuterleeftijd hardnekkige problemen hebben met uitspraak, zinsbouw en grammatica.

Grafische weergave van de fasen van taalontwikkeling bij kinderen, met focus op moeilijkheden in de preverbale en vroeg-linguale fase.

Fasen van Taalontwikkeling en Mogelijke Problemen

Taalontwikkeling is een bijzonder proces dat wordt aangedreven door aangeboren aanleg en gestimuleerd door het taalaanbod uit de omgeving. Ongeacht cultuur of taal verloopt de taalontwikkeling volgens bepaalde 'mijlpalen'.

Prelinguale/Preverbale Fase (0-12 maanden)

Taalontwikkeling begint al direct na de geboorte. Baby's communiceren door te huilen. Tussen de 6 en 24 weken maken zij de eerste geluidjes. Vanaf 6 maanden combineren ze klinkers en medeklinkers, wat ook wel brabbelen wordt genoemd, waarbij de intonatie wisselt. Na 8 maanden begrijpt de baby het verband tussen zijn gedrag/communicatie en de reactie van anderen, onder andere door te kijken en te wijzen.

Alert zijn op problemen in deze fase:

  • De baby gebruikt zijn stem weinig of brabbelt weinig.
  • De baby maakt weinig 'contact' met volwassenen.
  • Er wordt vermoed dat de baby slecht hoort.
  • De baby heeft moeilijkheden bij het eten.
  • Het tongriempje (frenulum) van de baby is verkort.

Vroeglinguale Fase (12 maanden - 2,5 jaar)

Rond de 12 maanden spreekt het kind zijn eerste woordjes uit, maar de woordenschat is nog klein. Veel woorden worden nog niet goed uitgesproken of er worden klanken weggelaten. Langzaamaan breidt de woordenschat zich uit en worden woorden samengevoegd tot zinnetjes van twee tot drie woorden. Een kind van 18 maanden gebruikt gemiddeld 50 woorden, op tweejarige leeftijd is dit gegroeid tot gemiddeld 200 woorden.

Alert zijn op problemen in deze fase:

  • Het kind probeert geen woordjes te zeggen of drukt zich niet uit met gebaren.
  • Het kind lijkt slecht te horen of lijkt weinig commando's te begrijpen.
  • Het kind is niet alert.
  • Het kind treedt moeilijk 'in contact' met andere kindjes.
  • Het kind spreekt weinig rond de leeftijd van twee jaar.

Differentiatiefase (2,5 - 5 jaar)

Vanaf 2,5 jaar kan het kind steeds meer dingen duidelijk maken met taal. Ingewikkelde klanken worden makkelijker en het kind wordt steeds beter verstaanbaar. Zinnen worden langer: een kind van 3 produceert zinnen van gemiddeld 3-5 woorden. Ook groeit de woordenschat extreem snel en gebruikt het kind vervoegingen, verkleinwoorden en bijvoeglijke naamwoorden. Bovendien kan het kind steeds meer grammaticale regels toepassen, wat kan leiden tot 'overregulering' (bv. 'hij loopte').

Alert zijn op problemen in deze fase:

  • Het kind spreekt onduidelijk (blijft klanken of lettergrepen verwisselen, of kort lange woorden in).
  • Het kind kent weinig woorden, heeft moeite met het vinden van woorden of spreekt een 'eigen taal'.
  • Het kind maakt nog grote grammaticale fouten.
  • Het kind praat erg beperkt: weinig of geen zinnen.
  • Het kind stopt niet om te luisteren naar commando's, er is 'slecht contact' en/of het heeft moeilijkheden om korte instructies op te volgen.
  • 'Stamelen' of 'stotteren' is op 3 jaar nog normaal, maar als het kind na die leeftijd nog stottert of langdurig 'stamelt', kan dit wijzen op een probleem.

Voltooiingsfase (5 - 9 jaar)

In de voltooiingsfase wordt de taal 'afgemaakt'. Het kind bezit alle bouwstenen en kan de puntjes op de i zetten. Over het algemeen kan het kind alle ingewikkelde klanken uitspreken. Daarnaast denken kinderen meer na over taal, waardoor ze creatiever kunnen worden in hun taalgebruik.

Alert zijn op problemen in deze fase:

  • Kinderen tussen 5 tot 6 jaar hebben op die leeftijd nog moeilijkheden met het uitspreken van de r, s, l, k en andere klanken.
  • Het kind spreekt onduidelijk of stottert.
  • Het kind heeft moeite om de gesproken taal te begrijpen.
Infographic met de belangrijkste mijlpalen in de spraak- en taalontwikkeling van kinderen per leeftijdsgroep.

Diagnosestelling en Behandeling

De diagnose van een (primaire) taalstoornis wordt best multidisciplinair gesteld. Naast een specifieke taaltest zijn gegevens over het IQ en het gehoor noodzakelijk.

Diagnostische Procedure

Verschillende specialisten met een ander expertisegebied worden ingeschakeld:

  • Een uitgebreid taalonderzoek door een logopedist.
  • Een onderzoek naar de verstandelijke mogelijkheden door een psycholoog of orthopedagoog.
  • Een neurologisch onderzoek door een kinderneuroloog.
  • Een gehooronderzoek door een neus-keel-oorarts.

Bovendien volgt het kind voor minimaal één volledig jaar op regelmatige basis (minimaal tweemaal per week) logopedie.

Wanneer een ernstige taal- en spraakproblematiek op zeer jonge leeftijd (vóór 5 jaar) wordt aangemeld, is het niet altijd gemakkelijk om een correcte diagnose te stellen; het kan immers gaan om een remedieerbare vertraagde spraak- en taalontwikkeling.

Specifieke testen voor logopedische screening en diagnostiek zijn bijvoorbeeld de CELF-5-NL en de CELF-Preschool-2-NL, de Schlichting test voor taalproductie en taalbegrip.

Behandeling

De behandeling is afhankelijk van de aard van de taalstoornis en/of -vertraging. Er wordt steeds een behandeling op maat opgesteld.

De logopedische behandeling kan indirect en/of direct zijn:

  • Bij een indirecte therapie instrueert en begeleidt de logopedist de ouders of verzorgers in de manier waarop ze het kind tot spreken kunnen stimuleren.
  • Bij de directe logopedische behandeling staat de wisselwerking tussen kind en logopedist centraal. Via aantrekkelijke materialen wordt geprobeerd de taal naar een hoger niveau te brengen. Er wordt gewerkt aan het taalbegrip, luistergedrag, woordenschat, zinsbouw en uitspraak.

Bij kinderen die nog niet of nauwelijks spreken, krijgen de voorwaarden om tot spreken te komen aandacht: het gebruiken van taal voor een bepaald doel, het imiteren van een ander, oogcontact, en het nemen van beurten. De ouders of verzorgers worden zoveel mogelijk bij de behandeling betrokken.

In de therapie wordt rekening gehouden met de totale ontwikkeling van het kind, de eventuele bijkomende problemen en de mogelijkheden in de omgeving van het kind.

Wat kunnen Ouders Doen?

Ouders spelen een cruciale rol in de ondersteuning van de taalontwikkeling van hun kind. Enkele belangrijke adviezen:

  • Zorg voor een ruim taalaanbod: samen zingen, verhaaltjes (voor-)lezen, praten over wat jullie samen deden.
  • Praat steeds één niveau moeilijker dan het taalniveau van je kind.
  • Gebruik de correcte woordenschat in plaats van kindertaal.
  • Verbeter je kind niet steeds, maar reflecteer de zin op een correcte manier.
  • Laat je kind nieuwe woorden 'ervaren': door op uitstap te gaan (bv. bij woordenschat over het bos) of door te spelen.
  • Overlaad je kind niet met taal.
  • Gebruik korte zinnen met basiswoordenschat.
  • Vertraag je spreektempo.
  • Bied veel herhaling aan van zowel woorden als zinsstructuren.
  • Ondersteun de communicatie met iets concreet zichtbaar (bv. een gebaar, een voorwerp, een foto of een prent).
  • Moedig je kind aan om te communiceren en ook zelf gebruik te maken van visuele ondersteuning.
  • Geef je kind tijd om te communiceren, laat hem/haar uitspreken. Stel niet te veel vragen en verplicht je kind niet om te spreken.
  • Vermijd frequent corrigeren.

Wat is diversiteit?

Comorbide Problemen

Bij primaire taalstoornissen is de taalstoornis niet te verklaren vanuit sensorische, cognitieve, neurologische of emotionele problemen, of vanuit een beperkt taalaanbod. De primaire spraak-/taalontwikkelingsproblemen zijn geen gevolg van een andere problematiek of een beperkt taalaanbod. Er kunnen echter wel andere problemen (bv. problemen met fijne motoriek, ADHD, etc.) parallel aanwezig zijn. Dan spreken we van comorbide problemen.

Kinderen met ontwikkelingsdysfasie hebben een verhoogd risico op andere ontwikkelingsproblemen zoals:

  • Spraakontwikkelingsdyspraxie (spraakstoornis)
  • Leerstoornissen (vooral dyslexie)
  • Autismespectrumstoornis (ASS)
  • AD(H)D
  • Developmental Coordination Disorder (DCD)

Wat betekent dit voor Later?

De meeste kinderen met ontwikkelingsdysfasie blijven op een of andere manier moeite hebben met de mondelinge taal. Wanneer kinderen een hersenletsel oplopen, kunnen de taalgebieden in de hersenen aangetast zijn. Dit manifesteert zich in een plotse terugval in de taalontwikkeling. De mate van herstel wordt bepaald door de leeftijd van het kind, de plaats en uitgebreidheid van het hersenletsel.

Anders dan bij kinderafasie, hebben kinderen met ontwikkelingsdysfasie geen hersenletsel. Deze taalontwikkelingsproblemen zijn aangeboren en zeer hardnekkig. Zelfs met aangepaste logopedische interventie zullen er op volwassen leeftijd nog taalproblemen zijn. Ontwikkelingsdysfasie heb je voor het leven.

Schema dat de interactie tussen verschillende specialisten (logopedist, arts, psycholoog) toont bij de diagnose van taalontwikkelingsstoornissen.

Gegevens voor VAPH (Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap)

Bij het aanvragen van hulp of erkenning is het belangrijk om de volgende gegevens te kunnen verstrekken:

  • Datum diagnosestelling: de datum van de eerste diagnosestelling of de datum van het meest recente medische verslag dat de diagnose bevestigt.
  • Discipline(s): de namen en disciplines van de personen die de diagnose hebben gesteld. Indien niet multidisciplinair, dient dit toegelicht en gemotiveerd te worden.
  • Diagnostische gegevens en/of andere onderzoeksgegevens: hierin moet aangetoond worden hoe de diagnose gesteld werd. Voor een diagnose van een taalstoornis zijn minimaal gegevens nodig over het taalontwikkelingsniveau, de intelligentie en het gehoor. Resultaten van taaltesten, IQ-testen en gehoortesten zijn cruciaal. Ook moet geduid worden hoe de taalstoornis zich manifesteert in taalproductie en taalbegrip, en wat de moedertaal en het taalaanbod zijn geweest om een taalbarrière of tekort aan stimulatie uit te sluiten.
  • Beperkingen & participatieproblemen: beschrijf de impact van de problemen met taalbegrip en taalproductie op het maatschappelijk functioneren, met extra aandacht voor levensdomeinen waar ernstige participatieproblemen ondervonden worden (bv. administratie, tewerkstelling).
  • Behandelingen: een overzicht van plaatsgevonden of lopende behandelingen (duur, frequentie, effect). Indien behandelingen niet mogelijk waren, de reden hiervoor. Ook verwachte toekomstige behandelingen zijn belangrijk om de ernst en langdurigheid van de stoornis te beoordelen.
  • Prognose: indien beschikbaar, informatie over de verwachtingen op korte en lange termijn.

tags: #fase #waarin #kinderen #niet #praten #taalontwikkeling