Het kan voorkomen dat een baby kort na de geboorte of enkele weken later onrustig is aan de borst, alsof hij niet meer wil drinken. Soms verloopt het aanleggen moeizaam en moet het meerdere keren opnieuw geprobeerd worden voordat de baby begint te drinken. In andere gevallen drinkt de baby steeds minder efficiënt. Een mogelijke verklaring hiervoor is zuigverwarring.
Zuigverwarring kan plots optreden, soms zelfs na eenmalig gebruik van een kunstspeen, of het kan geleidelijk ontstaan. Een baby die ogenschijnlijk geen problemen heeft met verschillende zuigtechnieken of het gebruik van een fopspeen, kan alsnog aan de borst steeds minder efficiënt gaan drinken. In uitzonderlijke gevallen kan een baby zelfs met zuigverwarring geboren worden, bijvoorbeeld wanneer de baby in de baarmoeder excessief op de duim, lip of tong heeft gezogen. Soms kan de zuigverwarring zo ernstig zijn dat de baby op geen enkele manier meer kan drinken.

Wat is zuigverwarring?
De term zuigverwarring wordt gebruikt wanneer een baby moeilijkheden ondervindt bij het wisselen tussen de borst en een fles. Het is niet te voorspellen welke baby moeite zal hebben met het combineren van drinken aan de borst en uit een fles. Zuigverwarring kan plots optreden, soms al na één enkele fles, maar het kan ook geleidelijk ontstaan dat de baby minder goed aan de borst gaat drinken. Baby's met een zwakkere zuigreflex of coördinatieproblemen bij het zuigen, slikken en ademen, zijn mogelijk gevoeliger voor zuigverwarring.
De grootste verschillen tussen borst en fles liggen in de manier van drinken en de melkstroom (flow). Bij een fles wordt de melk uit de fles gezogen, terwijl dit bij de borst eerder masserende bewegingen van de tong zijn om de melk uit de borst te krijgen. Een baby die gewend is om aan de fles te drinken, begrijpt mogelijk niet meer goed dat hij aan de borst een toeschietreflex moet opwekken. Dit kan leiden tot grote overstuurtheid.
Flowverwarring kan voorkomen worden door de fles meer horizontaal te houden. Een slow-flow speen, een speen met kleine gaatjes of een speen met ventielsysteem kunnen ook helpen.
Oorzaken van zuigverwarring en drinkproblemen
Er zijn verschillende redenen waarom een baby plotseling niet meer goed uit de fles of van de borst wil drinken:
- Ziekte of pijn: Als de baby grieperig is, koorts heeft, of pijn door doorkomende tandjes, kan hij minder drinken. De mond kan gevoeliger zijn, waardoor warm drinken onaangenaam wordt. In dit geval kan het helpen om de fles iets af te laten koelen.
- Verandering van voeding of fles: Een wissel van voedingsstype of een verandering in het eetpatroon van de moeder kan invloed hebben. Baby's hebben tijd nodig om hieraan te wennen.
- Afleiding: Veel omgevingsgeluid of andere vormen van afleiding kunnen ervoor zorgen dat een baby slecht drinkt.
- Spruw: Witte vlekjes in de mond die niet weg te vegen zijn, kunnen wijzen op spruw, een infectie van het mondslijmvlies.
- Reflux: Bij baby's met reflux kan de voeding dikker zijn (AR-voeding). Hiervoor is mogelijk een grotere speen nodig, omdat de dikkere voeding anders niet goed drinkbaar is.
- Structurele problemen: Baby's met een gespleten gehemelte of een te kort tongriempje (tongband) kunnen meer kans hebben op drinkproblemen.
- Te vroeg geboren baby's of baby's met een laag geboortegewicht: Deze baby's hebben vaak nog moeite met zuigen en slikken.
Baby's die na een periode van borstvoeding moeite hebben om over te schakelen op een flesje, worden flesweigeraars genoemd. Dit gebeurt echter uitzonderlijk. Er hoeft dus niet getwijfeld te worden om borstvoeding te geven uit angst dat de baby nadien geen fles zal willen.
Voorkomen van zuigverwarring
U kunt zuigverwarring voorkomen door uw baby uitsluitend aan de borst te laten drinken. Hoe jonger de baby is, hoe groter de kans op zuigverwarring. Laat daarom in de eerste weken na de geboorte een fopspeen liever achterwege. Wacht tot de borstvoeding volledig op gang is gekomen en zowel moeder als kind het drinken aan de borst als een routine ervaren, voordat er met een flesje wordt geoefend. Velen raden aan om pas na de kraamtijd (ongeveer zes weken) te oefenen met een flesje.

Oplossingen en tips bij zuigverwarring en drinkproblemen
Als uw baby toch problemen heeft met drinken, zijn er verschillende strategieën die u kunt toepassen:
Huidcontact en ontspanning
Huidcontact tussen moeder en baby is ontzettend belangrijk. Geniet van uw baby, knuffel hem of ga samen in bed liggen. Leg uw baby enkel een luier aan en laat uw bovenlichaam bloot. In de zomer is dit geen probleem en in de winter kan de verwarming hoger gezet worden en samen onder een deken gekropen worden. Door het huidcontact zal u zich meer ontspannen en de prolactinespiegel zal stijgen, wat belangrijk is voor de melkproductie. De baby zal zich ook beter voelen en meer gestimuleerd worden.
Alternatieve voedingsmethoden
- Weglaten van kunstmatige spenen: Laat alle kunstmatige spenen achterwege: flessenspeen, fopspeen en ook een tepelhoedje. Enkel indien de baby een tijdje uitsluitend met de fles gevoed werd, kan het tijdelijk aangewezen zijn het tepelhoedje te gebruiken.
- Voeden met een bekertje: Dit vraagt in het begin misschien wat tijd, maar als de baby het eenmaal doorheeft, gaat het vlot. Kies een rustig moment. Neem de baby op schoot zodat hij bijna rechtop zit, met een lichte achteroverleuning. Breng de beker aan de mond, zodat deze op het onderlipje rust en de lipjes links en rechts aanraakt. Kantel de beker tot de melk de mond raakt. Gebruik een transparant bekertje of glas. Wacht tot de baby de melk actief uit de beker slurpt, likt of zuigt. De melk in de mond gieten heeft geen zin, de baby zal niet slikken.
- Andere fles of speen proberen: Vraag advies aan uw vroedvrouw om het juiste type fles te vinden dat bij uw baby past. De fles is goed als de baby rustig kan drinken zonder zich te verslikken en de melk in de fles zichtbaar slinkt.
- Andere persoon de fles geven: Baby's ruiken goed en weten hoe mama ruikt en dat zij de bron van borstmelk is. Een andere persoon de fles laten geven kan helpen.
- Ander drinktechniek aanleren: Als een baby aan de borst het mondje wijd open moet doen, kan hij dit bij een fles ook proberen. Dit werkt niet bij een fles, waar een gesloten vorm van de lippen rond het speentje nodig is. Oefenen met een flesje terwijl u nog borstvoeding geeft, kan helpen.
Aanleggen en voeden
- Timing van aanleggen: Kies een moment waarop de baby nog niet al te hongerig is. Een baby die huilt van de honger, heeft meestal geen geduld om nieuwe dingen te leren.
- Rust bewaren: Probeer zelf zo rustig mogelijk te blijven. Praat tegen uw baby en wrijf zachtjes over zijn ruggetje.
- Geleidelijke aanpak: Als het aanleggen na een paar pogingen niet lukt en de baby onrustig wordt, neem hem dan een paar minuten mee en probeer het daarna opnieuw. Lukt het helemaal niet en raakt de baby overstuur, geef hem dan op een andere manier voeding.
- Regelmatige voedingen: Probeer de baby overdag minstens om de twee uur aan te leggen.
- Wakker maken: Is de baby te slaperig, maak hem dan tijdens een lichte slaapfase wakker met een voetmassage. Masseer de onderkant van zijn voetjes stevig met uw duim.
- Aanbieden voor het volledig wakker zijn: Soms gaat het aanleggen beter wanneer een baby nog niet helemaal wakker is. Let op zijn slaapgedrag en bied de borst aan voordat hij volledig wakker is.
- Extra aandacht voor aanleggen: Besteed extra aandacht aan het aanleggen (samen met de baby buik tegen buik, oren op één lijn met de heupen, het hoofdje lichtjes achteroverhellend met de neus ter hoogte van de tepel) en het aanhappen (baby heeft de mond wijd open, wordt snel maar zachtjes naar de borst toe getrokken, meer tepelhof in de mond aan de kant van de kin dan aan de kant van de neus).
- Beweging tijdens het voeden: Sommige baby's drinken gemakkelijker als ze in beweging zijn.
Therapeutisch baden
Therapeutisch baden heeft al veel baby's met zuigverwarring geholpen. Hiervoor is de hulp van een tweede volwassene nodig. Ga bij een aangename watertemperatuur in uw bad liggen. Zorg voor rust en gedempte verlichting. Wanneer u ontspannen ligt, laat u de baby met zijn buikje op uw buik liggen. Geef hem tijd. Normaal zal hij proberen in de richting van uw borsten te kruipen. Zo niet, breng hem dan zachtjes naar de borsten toe. Veel baby's nemen op die manier spontaan de tepel aan. De helper kan ervoor zorgen dat het water niet te sterk afkoelt door af en toe warm water bij te vullen.

Wanneer hulp inschakelen?
Als u zich zorgen maakt dat uw baby niet voldoende melk binnenkrijgt, houd dan goed zijn luiers in de gaten. De luiers moeten goed nat zijn en de urine geurloos en kleurloos zijn (niet geelachtig). Dit geldt alleen als de baby buiten de borstvoeding geen water of thee krijgt. Als de plasluiers regelmatig droog zijn en de urine een geel kleurtje heeft, dan heeft de baby bijvoeding nodig.
Als uw baby zich vaak verslikt, probeer dan een speen met een kleiner gaatje of dik de voeding in. Controleer of de baby echt nog honger heeft. Drinkt hij te vlug, laat hem dan trager drinken door de speenopening te verkleinen of de dop wat harder aan te schroeven. Wilt hij nog zuigen, geef hem dan zijn fopspeen of een knuffeltje.
De samenstelling van de voeding heeft weinig invloed op het verzadigingsgevoel. Er iets aan toevoegen helpt ook niet. Er bestaan veel voedingen die aangeprezen worden bij moeilijk te verzadigen baby's, maar hiervoor is weinig wetenschappelijk bewijs. Voeg zelf geen meel of suiker toe, omdat dit de samenstelling van de voeding verandert.
Als er ook maar de minste twijfel is over de gezondheid van uw baby, ga dan met hem naar uw arts voor een grondige controle. Neem contact op met een lactatiekundige, een ervaren vroedvrouw of een vrijwilligster van een borstvoedingorganisatie. Vaak kan een vroedvrouw gericht advies geven door een voedingsmoment te observeren. Indien nodig verwijst hij of zij u door naar een lactatiekundige.
Als uw kind blijft weigeren of als u echt ongerust bent, vraag dan advies en ondersteuning aan uw verpleegkundige. Soms is een individuele aanpak nodig.
Specifieke aandachtspunten
- Vitamine D: Alle kinderen wordt aanbevolen dagelijks 400 IE (internationale eenheden) extra vitamine D te krijgen in de vorm van een supplement, vanaf de geboorte tot de leeftijd van 6 jaar. Dit geldt het hele jaar door, onafhankelijk van de melkvoeding en vitamine D-suppletie van de borstvoedende moeder. Bij kinderen met een donker huidtype is 600 IE per dag aan te raden, en overwegen om vitamine D supplement te geven tot 18 jaar. Bespreek dit met uw behandelend arts.
- IJzerbehoefte: Vanaf 6 maanden wordt de behoefte aan ijzer groter, omdat de ijzervoorraad die de baby bij de geboorte meekreeg, is opgebruikt. Dit is ook de reden waarom vaste voeding uiterlijk dan gestart moet worden. De aanbeveling voor ijzer voor de leeftijd van 7 maanden tot 5 jaar is vastgelegd op 8 mg/dag.
- Vocht: De eerste 6 maanden heeft een kind enkel melkvoeding (borst- of flesvoeding) nodig. Melkvoeding bevat voldoende vocht. Water (of andere drank) is niet nodig en kan de eetlust verminderen. Bij borstvoeding kan extra drank de melkproductie verminderen. Na 6 maanden mag het kind na de vaste voeding enkele slokjes water drinken.