In Nederland worden steeds minder kinderen geboren. Dit fenomeen, dat voorheen voornamelijk zichtbaar was bij vrouwen in de twintig, is nu ook merkbaar bij vrouwen begin dertig. Tussen 2010 en 2024 is het aantal geboorten in Nederland gedaald van 184.000 naar 166.000 per jaar. Het gemiddeld kindertal per vrouw, een indicator die rekening houdt met de leeftijdsopbouw van vrouwen in de vruchtbare leeftijd, daalde nog sterker: van 1,80 kinderen per vrouw in 2010 naar 1,43 in 2024.
Er bestaan aanzienlijke onzekerheden over de toekomstige ontwikkeling van dit cijfer. Zo werd in januari 2025 door Pieter Omtzigt in de Tweede Kamer geopperd dat een verdere daling naar 1,2 of zelfs 0,7 kinderen per vrouw niet ondenkbaar is. De vraag naar de toekomstige ontwikkeling van het kindertal is van groot belang, aangezien deze aanzienlijke gevolgen kan hebben voor de omvang en leeftijdsopbouw van de bevolking op de lange termijn.
Er zijn argumenten te vinden voor zowel een verdere daling als een lichte stijging van het kindertal per vrouw in de toekomst. Het gemiddeld kindertal per vrouw wordt vaak gebruikt als maatstaf voor de vruchtbaarheid van de bevolking. Dit is een theoretisch cijfer dat aangeeft hoeveel kinderen vrouwen zouden krijgen als de geboortekansen per leeftijdscategorie gedurende hun gehele vruchtbare periode constant zouden blijven. Het wordt echter soms onterecht geïnterpreteerd als het daadwerkelijke aantal kinderen dat vrouwen aan het einde van hun vruchtbare leven krijgen.
Het kindertal per vrouw is een periodecijfer, wat betekent dat het gevoelig is voor uitstelgedrag. In perioden waarin het stichten van gezinnen wordt uitgesteld naar latere leeftijden, ligt het kindertal per vrouw lager dan het uiteindelijke aantal kinderen dat vrouwen zullen krijgen. Dit uitstelgedrag wordt zichtbaar bij vergelijking van periodecijfers met cohortcijfers.

Trends in de geboortecijfers per leeftijdscategorie
Tussen 1980 en 2024 schommelde het kindertal per vrouw rond een gemiddelde van 1,62. Echter, vrouwen geboren tussen 1960 en 1980 kregen uiteindelijk gemiddeld 1,79 kinderen. Ook in de afgelopen 14 jaar hebben vrouwen het krijgen van kinderen uitgesteld naar latere leeftijden. De gemiddelde leeftijd waarop vrouwen hun eerste kind kregen, steeg van 29,4 jaar in 2010 naar 30,4 jaar in 2024. Hoewel er de mogelijkheid bestaat dat deze uitgestelde geboorten later worden ingehaald, blijft dit 'inhaaleffect' op latere leeftijden tot nu toe uit.
Sinds 2021 is de daling in de kans op geboorte niet alleen zichtbaar bij vrouwen in de twintig, maar is er ook een lichte daling te zien bij vrouwen tussen de 30 en 35 jaar. Tegelijkertijd is er een lichte stijging in de kans op een kind bij vrouwen van 35 tot 40 jaar, en bij vrouwen boven de veertig, hoewel het aantal geboorten in de laatste groep nog steeds gering is. Deze cijfers suggereren dat vrouwen die na 1985, en met name na 1990, zijn geboren, tot nu toe aanzienlijk minder kinderen hebben gekregen dan eerdere generaties op dezelfde leeftijd.

Toekomstige verwachtingen en wensen van jongvolwassenen
De Generations and Gender Survey, afgenomen in 2022 en 2023, biedt inzicht in de wensen van huidige jongvolwassenen met betrekking tot het krijgen van kinderen. Respondenten tussen 18 en 30 jaar gaven aan gemiddeld 1,96 kinderen te willen krijgen. Het meest genoemde aantal was twee kinderen (35%), gevolgd door respondenten die geen kinderen willen (12%) en respondenten die drie kinderen willen (13%). Een significant deel (één op de drie) gaf aan niet te weten of wilde dit niet aangeven.
Het aantal kinderen dat respondenten persoonlijk het liefste zouden willen krijgen, ligt met een gemiddelde van 2,24 kinderen hoger dan het geplande kindertal. Dit verschil suggereert dat obstakels bij het krijgen en opvoeden van kinderen worden meegewogen bij het bepalen van het geplande aantal. Desondanks ligt het geplande kindertal nog steeds aanzienlijk hoger dan het gerealiseerde kindertal van de afgelopen decennia, wat de wijdverspreide "tweekindsnorm" onder jongvolwassenen onderstreept.
Duizenden kinderen maken een enorme animatie met borden
Argumenten voor een stijging van het kindertal
Een argument voor een toekomstige stijging van het kindertal is de verwachting dat uitgestelde geboorten in het verleden op latere leeftijd (gedeeltelijk) zullen worden ingehaald. Dit is de aanname in de bevolkingsprognose van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), die een geleidelijke stijging van het kindertal per vrouw na 2026 voorspelt tot een stabiel punt van 1,65 kinderen per vrouw. Hoewel het CBS de verwachte kindertallen recentelijk naar beneden heeft bijgesteld, wordt de verwachting van een stijging ondersteund door het feit dat de daling van het aantal geboorten zich voornamelijk beperkt tot vrouwen in de twintig en begin dertig, wat kan duiden op een uitsteleffect. Bovendien geven jongvolwassenen aan gemiddeld twee kinderen te willen, wat suggereert dat zij van plan zijn om op latere leeftijd nog kinderen te krijgen om hun gewenste gezinsgrootte te bereiken.
Argumenten voor een blijvend laag of dalend kindertal
Aan de andere kant zijn er ook redenen om aan te nemen dat het kindertal laag zal blijven of zelfs verder zal dalen. De daling van het aantal geboorten onder vrouwen begin dertig suggereert dat de ruimte voor inhaaleffecten kleiner wordt, waardoor mensen vaker tegen biologische beperkingen van vruchtbaarheid op hogere leeftijd zullen aanlopen. Daarnaast is het onwaarschijnlijk dat de oorzaken van het huidige lage vruchtbaarheidsniveau - zoals de wooncrisis, de flexibele arbeidsmarkt en zorgen over de toekomst - op korte termijn zullen verdwijnen. Indien deze factoren aanhouden, is de kans groter dat de vruchtbaarheid laag blijft of verder daalt.

Internationale trends en demografische verschuivingen
Internationaal zien we vergelijkbare trends. In de Verenigde Staten is het aantal tienermoeders sinds 1990 drastisch gedaald, terwijl het aantal geboorten bij vrouwen boven de 40 aanzienlijk is gestegen. De gemiddelde leeftijd van moeders is gestegen, en het aandeel moeders ouder dan 30 is toegenomen. Deze verschuiving wordt deels verklaard door carrièreoverwegingen, financiële stabiliteit en de bewuste keuze voor moederschap op latere leeftijd. Echter, voor veel vrouwen is het uitstellen van moederschap ook een gevolg van maatschappelijke factoren zoals gebrek aan betaald verlof en betaalbare kinderopvang.
In het Vlaamse Gewest is er sprake van een vergrijzing van de bevolking, met een zware top in de leeftijdsgroepen 55-69 jaar en een smalle basis van jongeren. Dit profiel is kenmerkend voor een verouderde bevolking, mede veroorzaakt door het dalend aantal geboorten in recente jaren. De leeftijdssamenstelling in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest duidt op een jongere bevolking, terwijl het Waalse Gewest daartussenin zit.

Ervaringen en perspectieven van oudere moeders
Vrouwen die op latere leeftijd moeder worden, ervaren zowel positieve als negatieve aspecten. Enerzijds waarderen zij de levenservaring, de rust en de zekerheid die zij in het ouderschap meebrengen. Ze kunnen bewuster genieten van hun kinderen en staan vaak meer ontspannen in het leven. Anderzijds worden zij soms geconfronteerd met kritiek op hun leeftijd en de fysieke uitdagingen die ouder worden met zich meebrengt.
De medische begeleiding bij zwangerschappen op latere leeftijd (40 jaar of ouder) kan gericht zijn op het monitoren van de gezondheid van moeder en kind en het eventueel inleiden van de bevalling. Hoewel er risico's verbonden zijn aan zwangerschap op latere leeftijd, benadrukken veel vrouwen het belang van persoonlijke keuzes en het elkaar steunen in de samenleving, ongeacht de leeftijd waarop men moeder wordt.