De Schepping van Wild Leven in de Bijbel

De Hebreeuwse Bijbel opent met twee scheppingsverhalen die de oorsprong van de wereld, inclusief alle dieren, planten en de mens beschrijven. Het eerste verhaal, te vinden in Genesis 1:1 - 2:3, en het tweede in Genesis 2:4 - 2:24, bieden verschillende perspectieven op de schepping. Hedendaags wordt het tweede verhaal, mede door de inzichten van de documentaire hypothese, als het oudste beschouwd.

Het Eerste Scheppingsverhaal: Genesis 1

Genesis begint met de woorden "In het begin schiep God de hemel en de aarde", een zin die kan dienen als inleidende samenvatting of als beschrijving van gebeurtenissen die voorafgingen aan de scheppingsweek. Deze week wordt gekenmerkt door zes dagen van schepping, waarbij elke scheppingsdaad begint met Gods woord: "God zei: …". Op de eerste, tweede, vierde en vijfde dag vindt één scheppingsdaad plaats, terwijl op de derde en zesde dag twee daden worden verricht. Elke scheppingsdag eindigt met de woorden "Het werd avond en het werd morgen".

In de tweede vers van Genesis wordt de aarde beschreven als een woeste en lege woestenij, een watervloed waarover Gods geest zweefde. God scheidde het licht van de duisternis en liet het water samenvloeien, het droge noemend "aarde" en het water "zee". God schiep de lichten aan het hemelgewelf - zon, maan en sterren - als markeringen voor seizoenen, dagen en jaren. Vervolgens liet Hij het water wemelen van levende wezens en de lucht vol vliegen met vogels. Daarna schiep God de landdieren: het vee, kruipende dieren en wilde dieren.

De schepping van de mens, naar Gods evenbeeld, met de opdracht om heerschappij te voeren over alle andere schepselen, volgde hierop. God schiep eerst de mens als een eenheid, en vervolgens als man en vrouw. Hij zegende hen met de woorden, "Wees vruchtbaar en word talrijk" en gaf hen heerschappij over de vissen, vogels en alle dieren die op aarde rondkruipen.

Op de zevende dag was Gods schepping voltooid en rustte Hij. Met uitzondering van de tweede dag, eindigen de eerste zes scheppingsdagen met de woorden "En God zag dat het goed was". De zevende dag kent deze afsluiting niet, wat sommigen interpreten als de dag waarop wij mensen leven.

Het scheppingsverhaal in Genesis 1 wordt toegeschreven aan de Priestercodex en ontstond vermoedelijk na de Babylonische ballingschap, mogelijk beïnvloed door Mesopotamische scheppingstradities. De tekst kenmerkt zich door repeterende, formule-achtige uitdrukkingen, die de onderlinge samenhang van de scheppingswerken reflecteren. Zo werden waterdieren en vogels als één scheppingswerk beschouwd, net als planten met de zee en aarde op de derde dag. Landdieren en de mens werden op dezelfde dag geschapen, omdat zij dezelfde leefwereld delen.

Van de mens wordt specifiek gezegd dat deze "als Gods evenbeeld" werd geschapen en als heerser van de dieren werd aangesteld. Na zes dagen scheppingswerk rustte God op de zevende dag en heiligde deze, wat de oorsprong van de Sjabbat verklaart.

Illustratie van de zes scheppingsdagen volgens Genesis 1, met de creatie van planten, dieren en de mens.

Het Tweede Scheppingsverhaal: Genesis 2

Het vervolg in de Priestercodex beschrijft hoe de wereld, ondanks de aanvankelijke goedheid, "door en door slecht" werd. Volgens de paradijsvertelling schiep God de hemel en aarde, maar waren er nog geen planten of struiken omdat het nog niet had geregend en er geen mensen waren om de aarde te bewerken. Uit de aardbodem maakte Hij de mens en plantte een tuin in Eden. In het midden stonden de boom des levens en de boom van de kennis van goed en kwaad.

God vond het niet goed dat de mens alleen zou zijn en wilde een helper voor hem maken. Daarom maakte God alle in het wild levende dieren en vogels. De mens kreeg de taak om alle dieren een naam te geven, maar vond geen helper onder hen. God liet de mens in een diepe slaap vallen, nam een rib weg en maakte daaruit een vrouw. De mens herkende haar als "zijn eigen gebeente en zijn eigen vlees".

In het oudere scheppingsverhaal (Genesis 2-3) verwerkte de Jahwist de "Jeruzalemse paradijsoverlevering". Hierin maakte JHWH de eerste mens, Adam, uit aarde-achtige materie en blies hem tot leven met levensadem. De aardse samenstelling van de mens kenmerkt deze vanaf het begin als sterfelijk, hoewel de overlevering dit thema zelf niet verder uitwerkt.

Het verbindende element is de roodbruine huidskleur van de mens. In de Hof van Eden verlangde de mens ernaar "als goden te zullen zijn" en "kennis te hebben van goed en kwaad", wat hij vervolgens buiten de tuin moest bewijzen.

Artistieke weergave van de Hof van Eden, met Adam, Eva en de dieren.

Interpretaties van de Scheppingsverhalen

De interpretatie van de scheppingsverhalen in Genesis kent verschillende invalshoeken. Sommigen lezen Genesis 1 als een mythisch-poëtische tekst, terwijl anderen het letterlijk-historisch trachten te verstaan. Filosofen als Philo van Alexandrië en theologen als Origenes en Augustinus van Hippo meenden dat God de wereld in één moment had geschapen, en de zes dagen als metaforisch moesten worden gezien.

In veel joods-christelijke kringen werden en worden de Bijbelse scheppingsverhalen beschouwd als een historische beschrijving van het ontstaan van het universum en het leven. Echter, mede door wetenschappelijke inzichten zoals de evolutietheorie, beschouwt de meerderheid van de exegeten en historici deze verhalen tegenwoordig als puur theologische teksten die de relatie tussen God en de schepping belichten. Desondanks blijft de letterlijke interpretatie een aanzienlijk aantal aanhangers kennen.

Volgens een gangbare opvatting zijn de Bijbelse scheppingsverhalen een variant binnen de wereldwijde tendens van scheppingsverhalen. Genesis 1 is afkomstig uit de Priestercodex, aangeduid met het woord "Elohim" voor God, terwijl Genesis 2 (vanaf vers 4) uit de Jahwistische traditie komt en "JHWH" gebruikt. Dit verschil in taalgebruik verklaart de tegenstrijdigheid tussen de verhalen: in Genesis 1 wordt de mens na de dieren geschapen, terwijl in Genesis 2 de mens vóór de dieren wordt geschapen.

De joodse jaartelling, gebaseerd op de Hebreeuwse tekst, hanteert de scheppingsdatum 6 september 3761 v.Chr. De 17e-eeuwse geestelijke James Ussher berekende een vergelijkbare datum: 22 oktober 4004 v.Chr.

De Rol van Wilde Dieren in de Bijbel

De bijbelteksten bieden een genuanceerd beeld van dieren. Hoewel liefde voor dieren en hun verzorging wordt benadrukt, worden de woorden "dier" of "dierlijk" vaak negatief gebruikt wanneer ze op mensen worden toegepast, verwijzend naar ongeremde lusten of beestachtig gedrag. Het Hebreeuwse woord behemah heeft een breed scala aan betekenissen, waaronder vee en wilde dieren.

In het Oude Testament komen wilde dieren voor in verschillende contexten, zoals in Genesis 3:14 waar ze deel uitmaken van de gevolgen van de zondeval. In Genesis 1:24-25 worden wilde dieren specifiek genoemd als onderdeel van de schepping op de zesde dag, samen met vee en kruipende dieren. Deze schepping werd door God als "zeer goed" beschouwd.

Het concept van heerschappij over dieren, zoals vermeld in Genesis 1:26-28, is een centraal thema. Dit betekent echter niet per se onderdrukking, maar eerder een verantwoordelijk rentmeesterschap. Dieren worden in de bijbel ook gebruikt in de cultus, bijvoorbeeld als offers, waarbij het principe van plaatsvervanging een rol speelt.

Aan de andere kant symboliseren dieren in de bijbelse beeldspraak ook vaak negatieve, anti-goddelijke machten. De oermonsters in de zee, zoals Leviatan en Rahab, vertegenwoordigen chaos en tegenstand tegen God. In profetische en apocalyptische geschriften worden deze monsters vaak gebruikt als beeld voor anti-goddelijke machten en het kwaad.

Het is opmerkelijk hoe de bijbelse beeldspraak van dieren, die vaak negatieve aspecten benadrukt, contrasteert met de hedendaagse cultuur waarin dierenbescherming en een positieve kijk op dieren overheersen. Theologisch gezien blijft de relatie tussen God, mens en dier complex, waarbij dieren zowel schepselen van God zijn als, in de vorm van monsters, symbool staan voor de God-vijandige wereld.

Een collage van verschillende dieren genoemd in de Bijbel, van huisdieren tot mythische wezens.

De Zegening en de Verantwoordelijkheid

Na de schepping van de mens zegende God hen en gaf hen de opdracht om vruchtbaar te zijn, zich te vermenigvuldigen en de aarde te bevolken en te onderwerpen. Deze zegening en opdracht omvatten de verantwoordelijkheid om te heersen over de vissen van de zee, de vogels van de lucht en alle dieren die op de aarde rondkruipen. Dit benadrukt de centrale plaats van de mens in Gods schepping en de relatie die hij heeft met de dierenwereld.

Denkstof #32 - Schepping: We hebben de wereld in bruikleen

tags: #wees #vruchtbaar #wilde #dier