De ijsbeer, ook wel poolbeer genoemd (Ursus maritimus, synoniem: Thalarctos maritimus), is een grote geelwitte beer die langer en groter is dan andere beren. Deze indrukwekkende dieren komen uitsluitend voor in en rond het noordpoolgebied.

Oorsprong en Evolutie
Men vermoedt dat de ijsbeer tijdens het Pleistoceen, zo'n 2 miljoen tot 400.000 jaar geleden, is ontstaan. Mogelijk stamt hij af van Siberische populaties van de bruine beer. Recent onderzoek op basis van nucleair DNA suggereert een eerdere afsplitsing van zijn soortgenoten, circa 600.000 jaar geleden. Eerdere conclusies op basis van mitochondriaal DNA konden mogelijk beïnvloed zijn door hybridisatie met bruine beren.
Uiterlijke Kenmerken
De ijsbeer is zeer groot en krachtig. Vrouwtjes zijn kleiner dan mannetjes en worden doorgaans 1,8 tot 2 meter lang en 150 tot 300 kilogram zwaar. Een mannetje kan tussen de 400 en 680 kilogram wegen, met uitschieters tot wel 1000 kilogram. De langste gemeten ijsbeer woog 1002 kilo en was 370 centimeter lang. De ijsbeer heeft een lange nek en een grote neus. Onder de vacht is de huid zwart, wat zichtbaar is op de naakte delen zoals de neus en lippen. Deze zwarte huid helpt bij het absorberen van warmte van de zon. De haren van de vacht zijn niet wit, maar doorzichtig en hol. De kleur van de vacht varieert, afhankelijk van het seizoen, de lichtinval en vuil, van gelig wit tot vuil grijs. Deze vacht is waterafstotend en houdt de warmte van de zon vast, aangevuld met een dikke onderhuidse vetlaag tot wel 4 centimeter dik.

De ijsbeer heeft vliezen tussen zijn tenen, wat hem helpt bij het zwemmen. Zijn achterpoten gebruikt hij als een roer om te sturen. De voetzolen zijn voorzien van haartjes en kussentjes voor extra grip op het ijs, wat ook isoleert tegen de kou. De scherpe klauwen bieden houvast bij het lopen.
Zintuigen en Levenswijze
IJsberen beschikken over een uitzonderlijk goed ontwikkeld reukvermogen; ze kunnen zeehonden die onder een meter sneeuw begraven liggen, op bijna 1,6 kilometer afstand detecteren. Ze kunnen prooien ruiken die zich op kilometers afstand bevinden, inclusief dode dieren tot op 30 kilometer afstand. Hun ogen zijn voorzien van een extra beschermende laag die hen beschermt tegen fel zonlicht en reflecties van sneeuw en ijs. Ze kunnen diepte goed zien, maar kleuren minder duidelijk. IJsberen zijn zowel overdag als ’s nachts actief en kunnen tot 25-30 jaar oud worden.
De wetenschappelijke naam Ursus maritimus betekent 'zeebeer', wat verwijst naar hun zwemvaardigheid en het leven op zee-ijs. Ze zijn uitstekende zwemmers en kunnen uren, soms dagenlang, in het water blijven. De langste geregistreerde zwempartij was 426 mijl in negen dagen. In het water behalen ze snelheden van drie tot vier kilometer per uur. Ze kunnen echter slechts korte tijd onder water blijven, met een maximum van 3 minuten en 10 seconden.

Hoewel ze uitstekende zwemmers zijn, jagen ijsberen ook te land, waar ze bijzonder snel kunnen rennen, tot wel 40 kilometer per uur. Ze leven meestal solitair, maar kunnen in groepen voorkomen op plaatsen met veel voedsel, zoals vuilnisbelten of karkassen van gestrande walvissen. Mannetjes kunnen agressief zijn tegenover elkaar, vooral in de paartijd, en kunnen soms welpen doden.
Voortplanting en Welpen
De paringstijd is van maart tot juni, met een piek in april. De ijsbeer kent een verlengde draagtijd, waarbij het embryo waarschijnlijk pas in oktober of november in ontwikkeling komt. De dracht duurt 200 tot 250 dagen (7 tot 8 maanden). Meestal worden er twee jongen geboren, soms één tot vier. Bij de geboorte zijn de jongen ongeveer 600 gram zwaar en 25 centimeter lang. Ze zijn dan doof, blind en bijna kaal.
Een drachtig vrouwtje graaft een sneeuwhol, vaak in een sneeuwheuvel met stevige sneeuw, om de winter door te brengen en haar jongen te beschermen tegen de intense kou. Na een tunnel bevindt zich de kraamkamer. Hierin overwintert het vrouwtje, met een vertraagde hartslag om energie te besparen. Ze voedt haar jongen met zeer vette moedermelk. Na ongeveer vier weken gaan de ogen van de welpen open.

De jongen verlaten het hol voor het eerst in maart of april, rond de drie maanden oud, en wegen dan ongeveer negen tot elf kilogram. Alleen het vrouwtje zorgt voor haar jongen. De jongen worden 1 tot 3 jaar gezoogd en worden na 24 tot 28 maanden onafhankelijk. Na drie tot zes jaar zijn ze geslachtsrijp. Mannetjesberen worden gemeden, aangezien deze de welpen kunnen doden.
Voedsel en Jacht
De primaire voedselbron van de ijsbeer is de zeehond, met name de ringelrob. Ook andere soorten zoals baardrobben, zadelrobben en klapmutsen worden bejaagd. Daarnaast eten ze aas, walrussen, kleinere walvissen zoals beluga's en narwals, vis, sneeuwhazen, lemmingen, zeevogels, eieren, rendieren en muskusossen. In de zomer trekken sommige ijsberen naar land en eten ze plantaardig voedsel zoals bessen en grassen, evenals menselijk afval.
De jacht is een energieke bezigheid; slechts ongeveer 2% van de jachtpogingen op zeehonden is succesvol, waardoor ijsberen ongeveer 50% van hun tijd aan jagen besteden. Ze gebruiken hun grote klauwen en hun goed ontwikkelde reukzin om prooien te vinden en te doden. De witte vacht dient als camouflage. Ze jagen op zeehonden door te wachten bij ademgaten, maar ook in holen, in het water en op het ijs. Om hun neus, die kan verraden waar ze zijn, te verbergen tijdens de jacht, bedekken ze deze soms met hun poot of met sneeuw.

Leefgebied en Verspreiding
De ijsbeer heeft een circumpolair verspreidingsgebied en komt voor in het Noordpoolgebied, inclusief de Noordelijke IJszee en de noordelijkste delen van Alaska (Verenigde Staten), Canada, Groenland, Rusland en Noorwegen. Op Groenland is de soort zowel aan de oost- als westkust te vinden. Op het Europese vasteland komt de ijsbeer niet in het wild voor, hoewel verdwaalde exemplaren regelmatig worden waargenomen in het noorden van IJsland.
Bedreigingen en Bescherming
De ijsbeer heeft geen natuurlijke vijanden buiten de mens. Traditionele jacht door poolvolkeren heeft de populatie tot ver in de 20e eeuw niet in gevaar gebracht. Echter, de toenemende niveaus van door de mens in het milieu gebrachte stoffen zoals PCB en DDT vormen een bedreiging. Op 15 november 1973 sloten de Verenigde Staten, Canada, de Sovjet-Unie, Noorwegen en Denemarken een verdrag ter bescherming van de ijsbeer, waarbij de jacht werd verboden, met uitzondering van traditionele jacht met traditionele middelen. Ook de handel in ijsbeerbont werd aan banden gelegd.
Sinds mei 2006 staat de ijsbeer op de Rode Lijst van de IUCN als "kwetsbaar" (vulnerable). Verwacht wordt dat door de gestage afname van drijfijs in de zomer, als gevolg van het versterkte broeikaseffect en de opwarming van de aarde, de populatie de komende 45 jaar met minstens dertig procent zal dalen. Het poolijs ontstaat steeds later en smelt steeds vroeger, waardoor de ijsbeer onvoldoende tijd heeft om op het ijs te jagen en zijn jaarlijkse vetreserves aan te leggen. Sommige ijsberen passen zich echter aan door ander voedsel te zoeken, zoals plantaardig materiaal en eieren.

Op 27 december 2006 stelde de Amerikaanse regering voor om de ijsbeer als bedreigde diersoort te beschouwen. Er zijn momenteel zo'n 20.000 tot 25.000 ijsberen in het wild, verdeeld over 19 populaties. Van deze populaties neemt er één toe, vijf zijn stabiel en vier nemen af, terwijl van de overige negen onvoldoende gegevens beschikbaar zijn. Vervuiling, jacht en commerciële activiteiten vormen bedreigingen, maar klimaatverandering wordt beschouwd als het grootste probleem.