De foetale bloedsomloop beschrijft de circulatie van bloed bij een foetus, waarbij een deel van deze circulatie plaatsvindt via de placenta en de navelstrengbloedvaten.
Ontwikkeling van het bloedvatenstelsel
De eerste bloedvaten en het eerste bloed worden gevormd in het mesoderm aan de buitenkant van de dooierzak en de allantois. Aanvankelijk ontstaan hier bloedeilandjes, waarin zowel bloedstamcellen, hemocytoblasten als angioblasten worden gevormd. Binnen deze bloedeilandjes ontstaan holtes die zich met elkaar verbinden en samensmelten, waardoor haarvaten ontstaan. Deze haarvaten worden langer en breiden zich uit naar de kiemschijf. De bloedvaten van het embryo komen in verbinding te staan met de extra-embryonale bloedvaten, die het bloed vervolgens transporteren. Vanaf de zesde tot zevende week nemen ook het mesenchymweefsel van de lever, milt en lymfeknopen deel aan de bloedvorming. Vanaf de 21e week vindt de bloedvorming voornamelijk plaats in het beenmerg.
De foetale bloedsomloop: een overzicht
De groeiende foetus is voor voeding en zuurstof volledig afhankelijk van de placenta, een speciaal orgaan dat via de navelstreng met de foetus is verbonden. Het bloed van de moeder stroomt door de baarmoederwand, waardoor de foetus voedingsstoffen en zuurstof ontvangt en afvalstoffen zoals koolstofdioxide verwijdert. Omdat de foetus nog niet zelf kan ademen, werkt het hart anders dan bij een pasgeboren baby. De zuurstof die de foetus nodig heeft, komt via de navelstreng vanuit de placenta van de moeder.

De rol van de placenta en navelstreng
De ene kant van de placenta is bevestigd aan de baarmoederwand, en de andere kant is verbonden met een met vloeistof gevulde zak die de foetus omhult. De navelstreng, een speciaal koord, verbindt de placenta met de foetus. Het bloed van de moeder stroomt door een dunne laag cellen in de baarmoederwand, waardoor de foetus voedsel en zuurstof krijgt en afvalstoffen zoals koolstofdioxide worden verwijderd.
Hoe werkt het hart van een foetus?
Het hart van een foetus begint al vroeg tijdens de zwangerschap te kloppen. Omdat de foetus nog niet zelf kan ademen, werkt het hart anders dan bij een pasgeboren baby. De zuurstof die de foetus nodig heeft, komt via de navelstreng vanuit de placenta van de moeder. Omdat de longen van de foetus nog niet worden gebruikt, stroomt er weinig bloed naartoe. Dit is mogelijk dankzij slimme omwegen in de bloedsomloop.
De ductus arteriosus (ductus van Botalli)
De ductus arteriosus, ook wel de ductus van Botalli genoemd, is een bloedvat dat een verbinding vormt tussen de longslagader en de aorta. Dit bloedvat zorgt ervoor dat een deel van het zuurstofrijke bloed dat vanuit de rechterharthelft wordt weggepompt, direct naar de grote lichaamsslagader (aorta) stroomt, in plaats van naar de longen die nog niet functioneren.
Het foramen ovale
Het foramen ovale is een opening tussen de rechter- en linkerboezem van het foetale hart. Deze opening laat bloed rechtstreeks van het rechter atrium naar het linker atrium stromen tijdens de ontwikkeling van de foetus. Hierdoor wordt zuurstofrijk bloed van de placenta efficiënt door het lichaam van de foetus verspreid, zonder eerst de longen te passeren.
De foetale bloedsomloop in detail
Het zuurstof- en voedingsstofrijke bloed van de placenta stroomt via de ongepaarde navelstrengader (vena umbilicalis) en de ductus venosus (en deels via de leverpoortader) naar de onderste holle ader (vena cava inferior). De twee harthelften functioneren nog parallel, omdat er twee kortsluitende verbindingen zijn tussen de rechter- en linkerharthelft: het ovale venster (foramen ovale) en de ductus Botalli.
Een deel van het bloed gaat vanuit de rechterboezem via het ovale venster naar de linkerboezem. Een ander deel stroomt van de longslagader via de ductus arteriacus Botalli naar de lichaamsslagader (aorta). Deze twee aanpassingen in de foetus zijn effectief omdat het bloed door drukverschillen eerder door het foramen ovale of ductus Botalli zal gaan. Voor de geboorte wordt een beperkte bloedtoevoer naar de pulmonaire circulatie waargenomen, gemedieerd door de restrictieve eigenschappen van de alveoli. Bij foetale omstandigheden, waarin een aanzienlijk lage partiële zuurstofdruk in de alveoli in de longen heerst, volgt een reactie waarbij de pulmonaire arteriën vasoconstrictie ondergaan. Vasoconstrictie leidt tot een verhoogde vasculaire weerstand, wat de bloedtoevoer bemoeilijkt. Hierdoor stroomt het bloed eerder via het foramen ovale naar de linkerhelft of via de ductus Botalli naar de aorta. De nog niet uitgeklapte longen worden zo grotendeels omzeild.

Veranderingen na de geboorte
Na de geboorte verandert de bloedsomloop drastisch. Wanneer de baby wordt geboren, wordt de navelstreng afgebonden en doorgeknipt. De baby krijgt dan geen zuurstofrijk bloed meer van de moeder en kan geen kooldioxide meer kwijt. Dit is de prikkel om zelf te gaan ademen. De baby gaat huilen en haalt diep adem. Door de lucht en de druk gaan de longen open en ontvouwen ze zich. Het longweefsel is dan niet meer samengedrukt. Ook de longvaten zijn niet langer samengedrukt, waardoor de druk in de longvaten daalt. Nu kan er veel bloed door de longslagader richting de longen stromen. Het bloed uit de rechterkamer kan nu heel makkelijk de longslagader instromen.
Sluiting van de ductus arteriosus en foramen ovale
De gelei van Wharton in de navelstreng zwelt na de geboorte op, waardoor de placentale circulatie meer stromingsweerstand ondervindt. Tegelijkertijd gaan de longen open en vullen zich met lucht. Lucht in de longen biedt minder weerstand dan vruchtwater, waardoor de stromingsweerstand in de longcirculatie sterk afneemt. Hierdoor verandert de druk in de harthelften, en klapt het foramen ovale door middel van een weefselklep dicht. De ductus arteriosus kan zich ook sluiten, omdat de bloedstroom daar afneemt en uiteindelijk stopt. Na de bevalling treedt een drukverandering op, waardoor de baby een dubbele, gescheiden bloedsomloop krijgt.
Foetale bloedsomloop (voor en na de geboorte) Kraamzorg Hartshunts NCLEX
De dubbele gescheiden bloedsomloop
Kort na de geboorte, wanneer de baby ademt, gaan de longen aan het werk. De omwegen in het hart die er waren als foetus - het foramen ovale en de ductus arteriosus - sluiten spontaan. Het hart en de bloedsomloop functioneren nu zoals bij een kind of volwassene. Zuurstofarm bloed stroomt naar de longen om zuurstof op te halen en zuurstofrijk bloed stroomt naar de rest van het lichaam om organen van zuurstof te voorzien.
De kleine en grote bloedsomloop na de geboorte
De kleine bloedsomloop brengt zuurstofarm, koolzuurhoudend bloed van de rechterhartkamer via de longslagader naar de longhaarvaten. Hier wordt koolstofdioxide (koolzuur) uit het bloed gediffundeerd en zuurstof opgenomen uit de lucht. Vervolgens wordt dit zuurstofrijke bloed via de longaders naar de linkerhartboezem getransporteerd. Dit is het begin van de grote bloedsomloop.
Vanuit de linkerhartboezem stroomt het zuurstofrijke bloed door de mitralisklep naar de linkerhartkamer. Vanuit de linkerhartkamer wordt het bloed de aorta en de rest van de grote bloedsomloop ingestuwd. De cellen in de lichaamsweefsels worden zo van zuurstof en voedingsstoffen voorzien.

Specifieke foetale omstandigheden
Bij foetale omstandigheden, waarin een aanzienlijk lage partiële zuurstofdruk in de alveoli in de longen heerst, ondergaan de pulmonaire arteriën vasoconstrictie. Dit verhoogt de vasculaire weerstand en bemoeilijkt de bloedtoevoer naar de longen. Hierdoor stroomt het bloed eerder via het foramen ovale naar de linkerhelft of via de ductus Botalli naar de aorta, waardoor de nog niet uitgeklapte longen grotendeels worden omzeild.
Risico's bij bloedgroepverschillen
Bij een verschil in bloedgroep tussen de foetus en de moeder kunnen antistoffen worden aangemaakt door de moeder, wat kan leiden tot de afbraak van rode bloedcellen bij de foetus. Dit is echter een complicatie die losstaat van de normale werking van de foetale bloedsomloop.
tags: #foetale #bloedsomloop #schematisch