Inleiding tot Kurtosis en Verdelingsvormen
Kurtosis (welving) is een statistische maat die de staartvormigheid (tailedness) van een kansverdeling beschrijft. Deze staartvorm geeft aan hoe frequent extreme waarden, ook wel uitschieters (outliers) genoemd, voorkomen binnen een dataset. De staarten van een verdeling zijn de taps toelopende uiteinden aan weerszijden ervan en vertegenwoordigen de waarschijnlijkheid of frequentie van waarden die significant hoger of lager zijn dan het gemiddelde.
Zowel kurtosis als skewness (scheefheid) zijn fundamentele maten die inzicht geven in de specifieke vorm van een verdeling. Een belangrijk onderscheid binnen de kurtosis is de platykurtische verdeling. Deze verdelingen kenmerken zich door een lagere kurtosis dan een normale verdeling. Het voorvoegsel "platy" is afgeleid van het Griekse woord "platús", wat "vlak" betekent, en beschrijft de meer afgeplatte top en dunnere staarten van deze verdelingen vergeleken met de normale verdeling.
Platykurtische verdelingen kenmerken zich door een relatief laag aantal uitschieters. Een extreem voorbeeld hiervan is de uniforme verdeling, waarbij alle waarden binnen een bepaald interval even waarschijnlijk zijn. Een studie naar het gebruik van sociale media door leerlingen van een middelbare school toonde een dergelijke verdeling aan. De berekende kurtosis voor deze steekproef was 1.78, met een excess kurtosis van -1.22, wat wijst op een platykurtische karakteristiek. In de bijbehorende grafiek is visueel waar te nemen dat de ruimte onder de uniforme curve (paars) aan de staartuiteinden dunner is dan die onder de normale curve (groen).

Daartegenover staat de leptokurtische verdeling. Deze verdelingen hebben juist een hogere kurtosis dan een normale verdeling. Het voorvoegsel "lepto" komt van het Griekse "leptós", wat "smal" betekent, en verwijst naar de hogere, spitsere piek en dikkere staarten van deze verdelingen.
Leptokurtische verdelingen worden gekenmerkt door een hoger aantal uitschieters. Een illustratief voorbeeld hiervan is de meting van de afstand tussen de aarde en een ster door vier astronomen. De resulterende verdeling, die bij benadering een Laplaceverdeling volgde, had een kurtosis van 6.54 en een excess kurtosis van 3.54. Dit duidt op een leptokurtisch patroon met meer uitschieters dan verwacht bij een normale verdeling. De grafiek toont aan dat de ruimte onder de Laplacecurve (blauw) aan de staartuiteinden dikker is dan die onder de normale curve (groen).

De mesokurtische verdeling wordt als referentiepunt gebruikt en komt overeen met de kurtosis van een normale verdeling. In mesokurtische verdelingen kunnen uitschieters voorkomen, zoals ook wordt waargenomen bij het geboortegewicht van olifanten. Een zoöloog onderzocht de verdeling van het geboortegewicht van vrouwelijke olifanten, die gemiddeld rond de 95 kilogram wegen. De verzamelde data volgden bij benadering een normale verdeling, met een berekende kurtosis van 3.09 en een excess kurtosis van 0.09, wat wijst op een mesokurtisch karakter.

Wiskundig gezien wordt kurtosis gedefinieerd als het gestandaardiseerde vierde moment van een verdeling. Het berekenen van de kurtosis van een steekproef kan omvatten het vierde moment van de steekproef te delen door de standaarddeviatie tot de vierde macht. Vanwege de complexiteit van handmatige berekeningen, maken de meeste gebruikers gebruik van statistische software om kurtosis te bepalen.
De Nederlandse Geboortegewichtcurves
De Nederlandse geboortezorg maakt gebruik van specifieke geboortegewichtcurves die het optimale geboortegewicht voor pasgeborenen per zwangerschapsduur weergeven. Deze curves zijn gebaseerd op data verzameld uit de Perinatale Registratie van Nederlandse pasgeborenen tussen 2000 en 2014.
Een belangrijke ontwikkeling ten opzichte van eerdere PRN(Perined)-curves uit 2008 is de uitsluiting van pasgeborenen met risicofactoren voor afwijkende foetale groei. Dit omvatte onder andere moeders met hypertensie, diabetes, middelengebruik, zwangerschappen gecompliceerd door placenta-afwijkingen of intra-uteriene infecties, meerlingzwangerschappen en pasgeborenen met congenitale afwijkingen. Tevens zijn inleidingen en primaire keizersneden uitgesloten.
De basis voor de nieuwe curves werd gevormd door een laag-risicopopulatie van 1.629.776 pasgeborenen. Deze nieuwe curves zijn ontworpen om het optimale geboortegewicht voor de betreffende zwangerschapsduur te reflecteren, met een onderscheid naar geslacht. In tegenstelling tot eerdere curves wordt er geen onderscheid meer gemaakt naar pariteit en Hindoestaanse achtergrond, vanwege verschillende risicoprofielen.
Deze geboortegewichtcurves dienen als de nieuwe standaard in de Nederlandse geboortezorg. Het is cruciaal te benadrukken dat dit geen groeicurven zijn, maar vastgestelde geboortegewichten van kinderen die bij de betreffende amenorroeduur geboren werden. De curves zijn ontwikkeld door Liset Hoftiezer, met ondersteuning van een werkgroep van experts.
De resultaten uit een eerder artikel, dat aantoont dat geboortegewichtcurves gebaseerd op een laag-risicopopulatie de opsporing van met foetale groeibeperking geassocieerde mortaliteit en morbiditeit kunnen verbeteren, vormden mede de aanleiding voor de implementatie van deze nieuwe curves. De ontwikkeling van deze curves werd gefinancierd door het Innovatie- & wetenschapsfonds van Isala en Nutricia Early Life Nutrition.
Beschikbaarheid en Gebruik van de Curves
Een digitale versie van de geboortegewichtcurves is beschikbaar voor download. Deze standaardversie bevat de percentielen P3, P5, P10, P50, P90, P95 en P97, weergegeven per dag en per week, voor zowel jongens als meisjes. Deze curves zijn ook toegankelijk via een mobiele app, te downloaden in de Apple Appstore en Google Play Store onder de naam 'Perined'.

In tegenstelling tot voorheen, zijn de geboortegewichtcurves niet langer op papier verkrijgbaar. De ontwikkeling van de nieuwe curves is beschreven in een nog in bewerking zijnd artikel.
WHO Groeicurven en Baby Groei
Voor het volgen van de gewichtsontwikkeling van een baby, kunnen de WHO-groeicurven worden geraadpleegd. Deze curves zijn een nuttig hulpmiddel om te beoordelen of een baby voldoende voeding binnenkrijgt, aangezien groei een essentieel onderdeel is van de algemene ontwikkeling.
Het is belangrijk te beseffen dat het niet primair gaat om op welke specifieke curve een baby zich bevindt, maar of de baby zijn eigen curve redelijk consistent volgt. Significante dalingen of stijgingen in de curve kunnen reden zijn om de gewichtsontwikkeling nauwlettend te observeren en, indien de schommeling meer dan tijdelijk is, de onderliggende oorzaak te achterhalen.
Het geboortegewicht van een baby wordt beïnvloed door diverse factoren, waaronder de omstandigheden in de baarmoeder, het geboorteproces en de eventuele medicatie tijdens de bevalling. Een correctie van het gewicht in de eerste twee levensweken, wat zich kan uiten als een 'sprong' in de curves, komt relatief vaak voor.
Een snelle gewichtstoename hoeft niet direct te duiden op overvoeding, zeker niet bij baby's die uitsluitend borstvoeding krijgen. Soms kan een baby in een vicieuze cirkel terechtkomen, waarbij hij meer melk drinkt dan nodig is. Dit kan gebeuren omdat drinken aan de borst rustgevend en pijnstillend werkt. Bij frequent ongemak kan een baby vaker om de borst vragen, wat de melkproductie kan stimuleren. Hoewel vaak aan de borst drinken normaal is, kan een onrustige baby die moeilijk te troosten is, een indicatie zijn om advies in te winnen bij een LLL-leidster (La Leche League).
Een baby die gestaag groeit en verder gelukkig en tevreden is, baart doorgaans geen zorgen. Alleen wanneer een baby significant boven de P97 (97e percentiel) uitkomt, is het raadzaam dit met een arts te bespreken. Vaak zal de arts geruststellen en zal blijken dat het simpelweg om een stevige baby gaat.
Bij een lage gewichtstoename is het essentieel te onderzoeken of de baby voldoende melk krijgt. Acht tot twaalf voedingen per 24 uur worden als normaal beschouwd, waarbij de ene baby volstaat met acht voedingen, terwijl een andere meer nodig heeft. Voeden op verzoek is doorgaans effectief, maar sommige baby's vragen niet frequent genoeg zelf om een voeding. Dit zijn vaak de rustigere baby's die lange periodes slapen en mogelijk meer stimulans nodig hebben.
Andere redenen voor onvoldoende melkinname kunnen een slechte drinktechniek zijn, het gebruik van een fopspeen of het drinken via een tepelhoedje. Een LLL-leidster kan hierbij adviseren en tips geven om de baby te stimuleren en de melkproductie te verhogen.
Een kleine groeier die zijn curve goed volgt, is doorgaans gezond. Echter, wanneer een baby zich consequent onder de P3 curve bevindt, kan medisch advies noodzakelijk zijn.
In 2006 publiceerde de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) nieuwe groeicurven, gebaseerd op de groeicijfers van meer dan 8000 baby's uit diverse landen die borstvoeding kregen. Deze curves zijn universeel toepasbaar, ongeacht de etnische achtergrond van de baby. In regio's waar de bevolking gemiddeld groter is, zullen de meeste baby's een hogere curve volgen, terwijl in regio's met een kleinere bevolking de curves lager zullen liggen.
Vergelijking en Ontwikkeling van Geboortegewichtcurves
Geboortegewichtcurves geven het optimale geboortegewicht weer voor kinderen geboren bij een specifieke zwangerschapsduur, met een onderscheid naar geslacht. De Nederlandse Perined-curves zijn gebaseerd op data uit de Perinatale Registratie van Nederlandse pasgeborenen tussen 2000 en 2014.
Een significant verschil met de eerdere PRN(Perined)-curves uit 2008 is de strikte uitsluiting van pasgeborenen met risicofactoren voor afwijkende foetale groei. Dit omvat onder andere maternale gezondheidsproblemen, middelengebruik, complicaties tijdens de zwangerschap, meerlingzwangerschappen en congenitale afwijkingen bij de pasgeborene. Ook inleidingen en primaire keizersneden zijn uitgesloten.
De laag-risicopopulatie (n=1.629.776) vormde de basis voor de nieuwe curves, die het optimale geboortegewicht per zwangerschapsduur beogen weer te geven. Er wordt een onderscheid gemaakt naar geslacht, maar niet langer naar pariteit of etniciteit, vanwege de bevinding dat geslacht als enige factor geen significante associatie heeft met morbiditeit en mortaliteit bij een lager gewicht.
De nieuwe Perinedcurven zijn uitsluitend bedoeld voor gebruik na de geboorte. De eerdere PRN-curven waren beschrijvende (descriptieve) curves die de populatieverdeling weergaven. Dit kon leiden tot een risico op onderschatting van groeivertraagde kinderen, met name in de preterme periode.
Een Nederlandse studie, die data uit het Verloskundig Casusregistratie Systeem (VeCaS) gebruikte (2012-2019), onderzocht het effect van maternale lengte op geboortegewicht. Multiple lineaire regressie toonde een regressiecoëfficiënt van 15,0 g per cm aan. De incidentie van SGA (small for gestational age, p<10) en LGA (large for gestational age, p>90) in deze gezonde populatie was respectievelijk 7,1% en 8,4%.
Verdere analyse toonde aan dat, bij indeling van vrouwen in lengtecategorieën, de incidentie van SGA varieerde van 17,4% bij de kleinste vrouwen tot 2,0% bij de langste, terwijl de incidentie van LGA varieerde van 1,9% tot 21,5%. Deze verschillen kunnen niet volledig door pathofysiologie worden verklaard en suggereren een verband tussen etniciteit en maternale lengte. Gezien de inter-etniciteit in Nederland en de bevindingen van Rochow (2018) die gelijke incidenties van SGA en LGA zag bij vrouwen van verschillende etniciteit met dezelfde lengte, pleit dit voor geboortegewichtscurven die gestratificeerd zijn naar maternale lengte.
De KNOV (Koninklijke Nederlandse Organisatie voor Verloskundigen) was betrokken bij de ontwikkeling van de Perined-werkgroep Geboortegewichtcurven van september 2014 tot januari 2018. De nieuwe Perinedcurven vervangen de oude PRN-curven.
tags: #descriptieve #geboortegewicht #curve