Het menselijk lichaam kent diverse processen die, hoewel soms ongemakkelijk, volkomen normaal zijn. Een voorbeeld hiervan is het fenomeen van winterhanden en wintertenen, waarbij vingers en tenen pijnlijk worden na blootstelling aan kou en vervolgens weer opwarmen. Hoewel dit op zich onschuldig is, kan het onderliggende mechanisme, vaatkramp, ook bijdragen aan pijnlijke tepels tijdens borstvoeding.
Vaatkramp als oorzaak van pijnlijke tepels
Hoewel het zelden voorkomt, kan vaatkramp een oorzaak zijn van pijnlijke tepels. Sommige moeders ervaren dit al tijdens de zwangerschap. Kenmerkend voor vaatkramp is dat tepels plotseling wit worden, gepaard gaand met een verlammende, tintelende of stekende pijn. Meestal worden pijnlijke tepels echter veroorzaakt doordat de baby niet goed is aangelegd tijdens het voeden.
Bij vaatkramp ziet de tepel er na de voeding, wanneer deze uit de mond van de baby komt, normaal uit. Binnen enkele tientallen seconden kleurt de tepel echter wit en ontstaat er een stekende, tintelende pijn. Vervolgens kan de tepel blauw of rood verkleuren. Na verloop van tijd verdwijnt de pijn en keert de tepel terug naar zijn normale uiterlijk.
Moeders die last hebben van vaatkramp aan de tepels, hebben vaak ook last van 'dode vingers', oftewel het fenomeen van Raynaud. Snelle temperatuurveranderingen, zoals het wisselen van een koude naar een warme omgeving of voeden in een koude ruimte, kunnen vaatkramp bevorderen. Ook intensieve tepelstimulatie kan dit fenomeen veroorzaken. Daarnaast kan vaatkramp een bijwerking zijn van bepaalde medicijnen, waaronder astmamiddelen.

Adviezen bij vaatkramp
Om vaatkramp te voorkomen of te verminderen, kunnen moeders voor het aanleggen warme kompressen op de borst leggen voor een geleidelijke opwarming. Een natte tepel koelt snel af, wat vaatkramp kan uitlokken. Daarom is het aan te raden de tepel(s) direct na het loslaten door de baby warm en droog te houden en geleidelijk te laten afkoelen. Dit kan door bijvoorbeeld enkele minuten een warme hand tegen de borst te houden of een droog, lauw-warm kompres te gebruiken. Soms kan een koud kompres juist verlichting bieden.
Ondersteuning bij borstvoeding
Direct na de bevalling is er veel informatie en ondersteuning beschikbaar voor moeders die borstvoeding willen geven. Een lactatiekundige speelt hierin een cruciale rol. Zij biedt voorlichting, bijscholing en intensieve begeleiding bij borstvoedingsproblemen. De lactatiekundige is vaak aanwezig op de afdeling Geboortezorg en kan ook worden geraadpleegd tijdens het verpleegkundig spreekuur in de zwangerschap.
De eerste melk: colostrum
De eerste melk, colostrum, wordt al in de vijfde zwangerschapsmaand aangemaakt. De productie ervan wordt geremd door de hormonen progesteron en oestrogeen, die de werking van prolactine (het melkaanmaakhormoon) tegengaan. Na de bevalling, wanneer de placenta is verwijderd, valt de remmende werking van progesteron weg en komt de melkproductie op gang.
Huid-op-huidcontact na de geboorte
Na een natuurlijke bevalling is de baby direct na de geboorte alert en alert, mede onder invloed van het hormoon oxytocine. Het huid-op-huidcontact tussen moeder en baby, waarbij de baby direct na de geboorte op de buik van de moeder wordt gelegd, is essentieel. Dit contact, dat idealiter minimaal een uur ongestoord plaatsvindt, stimuleert de voedingsreflexen van de baby. Hoewel het direct aanleggen belangrijk is, is ongestoord huid-op-huidcontact van groter belang.
De baby zal reflexmatig op zoek gaan naar de borst. Vaak begint de baby binnen één tot twee uur na de geboorte te zoeken en te happen, waarna hij aan de borst kan worden gelegd. In de eerste dagen zal de baby tien tot twaalf keer per dag voeding vragen, na de eerste week ongeveer zeven tot acht keer, maar meer indien nodig.

Bij een niet-natuurlijke bevalling, zoals na een langdurige inleiding of een kunstverlossing, kunnen hormonen ontregeld zijn. Het toepassen van huid-op-huidcontact zodra mogelijk en starten met kolven om de melkproductie te stimuleren, kan helpen. Huid-op-huidcontact stabiliseert de temperatuur van de baby, kalmeert de ademhaling en hartslag, verhoogt de bloedsuiker en stimuleert de aanmaak van oxytocine, wat de drinkreflexen en hechting versterkt.
Veelvoorkomende borstvoedingsproblemen en oplossingen
Stuwing
De meeste moeders ervaren na enkele dagen stuwing, een proces waarbij de melkproductie op gang komt door het hormoon prolactine, zelfs bij vrouwen die geen borstvoeding geven.
Tepelkloven
Gevoelige tepels komen in de eerste dagen vaak voor door de onwennigheid. Tepelkloven zijn echter altijd een gevolg van niet goed aanleggen, waarbij wrijving op de verkeerde plek ontstaat. Het is cruciaal dat de baby niet alleen de tepel, maar ook een groot deel van de tepelhof in de mond heeft, met de mond wijd open. Voeden in verschillende houdingen kan helpen bij het genezen van tepelkloven, omdat de tepel hierdoor op verschillende manieren wordt belast.
Verstopte melkkanaaltjes en borstontsteking
Een verstopte melkkanaaltje of borstontsteking wordt meestal veroorzaakt door onvoldoende doorstroming van de borst. Het is belangrijk de borsten goed leeg te maken en voldoende rust te nemen.
Te veel of te weinig melk
Bij een overvloedige productie kan het nodig zijn de borsten goed leeg te maken. Als er sprake is van te weinig melkproductie, kan de productie worden verhoogd door de baby vaker aan te leggen, na de voeding te kolven en veel huid-op-huidcontact toe te passen. Vermoeidheid en stress kunnen de melkproductie ook negatief beïnvloeden.
Het belang van goed aanleggen
Een correcte aanlegtechniek is essentieel voor een goede melkoverdracht en voldoende voeding voor de baby. Stimuleer de bovenlip met de tepel totdat de mond wijd opengaat, plaats de baby met het neusje bij de tepel, zodat het hoofdje omhoog gaat om goed aan te happen. De rug van de baby moet in één lijn liggen met het achterhoofd, het neusje vrij en het kinnetje zachtjes in de borst gedrukt. Een naar buiten gekrulde onderlip is een goed teken. De baby maakt aanvankelijk snelle zuigbewegingen, gevolgd door grotere teugen met rustpauzes. Na de voeding laat de baby vanzelf los. Het is belangrijk om de baby na de voeding rechtop te houden voor een eventuele boer en daarna de tweede borst aan te bieden.

Het is belangrijk om de signalen van de baby te herkennen en te voeden wanneer de baby daarom vraagt. Dit regelt de melkproductie volgens het principe van vraag en aanbod. De baby kan 'clusteren', waarbij hij gedurende een paar uur frequent aan de borst wil zuigen en daarna lang slaapt. Het gevoel van volle borsten voor de voeding en soepele borsten erna verdwijnt na enkele weken, wat normaal is.
Moedermelk heeft altijd de juiste samenstelling, ook wanneer de moeder moe of ziek is; het bevat dan juist antistoffen. De baby valt na de geboorte af en komt na enkele dagen weer aan. Bijvoeden kan het evenwicht tussen vraag en aanbod verstoren. In veel ziekenhuizen wordt daarom alleen bijgevoed op medische indicatie, met een cupje of flesje.
Voedingshoudingen
Er zijn verschillende houdingen om de baby aan te leggen, waarbij het vinden van een prettige houding belangrijk is. Het afwisselen van houdingen stimuleert verschillende melkkanaaltjes.
- Liggend voeden: Moeder en baby liggen op hun zij, met de tepel en het neusje van de baby op gelijke hoogte.
- Zittende houding/Madonnahouding: De baby ligt op de onderarm, met de rug in één lijn met het achterhoofd. Het neusje van de baby bevindt zich ter hoogte van de tepel.
- Rugbyhouding: De baby ligt met de beentjes onder moeders arm, aan de kant van de borst die gevoed wordt. Het hoofdje wordt ondersteund door de hand van dezelfde arm.
- Doorgeschoven rugbyhouding: De buitenste arm van de moeder is om de baby geslagen en het hoofdje rust op de hand.
Ook tweelingen kunnen prima aan de borst gevoed worden. Het principe van vraag en aanbod geldt ook hier, waarbij voor twee baby's melk wordt aangemaakt. Het is belangrijk om bij elke voeding van borst te wisselen. Hoewel het in het begin oefening vergt, is het effectief om de baby's tegelijkertijd te laten drinken.
Hulpmiddelen bij borstvoeding
Tepelhoedjes
Een tepelhoedje kan uitkomst bieden als een baby moeite heeft met aan happen of het vacuüm vasthouden, zoals bij premature baby's. Het is een siliconen hulpstuk dat over de tepel wordt geplaatst. Er zijn drie maten: S, M en L.
Het plaatsen van een tepelhoedje gebeurt door de zachte randen naar voren te klappen, eventueel te bevochtigen met water, en het hoedje zo dicht mogelijk over de tepel te plaatsen. Het aanleggen met een tepelhoedje verloopt in principe hetzelfde als zonder, met aandacht voor het goed aanhappen. Het tepelhoedje mag niet platgedrukt worden tussen de kaken.

Nadelen van een tepelhoedje kunnen zijn dat de baby meer moeite heeft de borst effectief leeg te drinken, wat kan leiden tot een teruglopende melkproductie. Het is daarom belangrijk de melkproductie en het gewicht van de baby in de gaten te houden en eventueel na te kolven. Het afwennen van een tepelhoedje kan het beste worden geprobeerd als de baby al enkele minuten goed heeft gedronken, waarna het hoedje wordt verwijderd en de baby opnieuw wordt aangelegd. Bij problemen kan een vrijgevestigde lactatiekundige worden ingeschakeld.
Fopspeen
Over het algemeen is het niet wenselijk om naast borstvoeding een fopspeen te gebruiken, omdat dit de zuigbehoefte van de baby kan beïnvloeden. Voor zieke of premature baby's kan een fopspeen echter wel nuttig zijn ter troost of als pijnstilling.
Opslag en opwarming van moedermelk
Ontdooide moedermelk is op kamertemperatuur een uur houdbaar en in de koelkast 24 uur. Gekoelde moedermelk kan worden opgewarmd onder warm stromend water, au bain-marie, of in een bakje met warm water (35 graden). Bevroren moedermelk wordt ontdooid in de koelkast of onder koel stromend water. Opwarming in de magnetron is mogelijk, mits langzaam en met tussentijds schudden.
Mythes en feiten over borstvoeding
- Mythe: Er zitten niet genoeg voedingsstoffen in moedermelk. Feit: Moedermelk bevat voldoende voedingsstoffen.
- Mythe: Borstvoeding geven is vermoeiend. Feit: Langdurige borstvoeding kan leiden tot minder bezorgdheid en spanning door het vrijkomen van oxytocine, waardoor voedingsmomenten rustmomenten worden.
- Feit: Borstvoeding is de beste start voor uw baby, omdat het afweerstoffen bevat die niet in flesvoeding zitten.
- Mythe: Borsten worden lelijk en gaan hangen van borstvoeding geven. Feit: De vorm van de borsten verandert niet door borstvoeding; zwangerschap en leeftijd zijn de oorzaken.
- Mythe/Feit: Borstvoeding geven is de perfecte anticonceptie. Feit: Dit werkt alleen bij volledige borstvoeding en zolang de menstruatie nog niet is begonnen.
- Mythe: De eerste dagen na de bevalling heb je nog geen melk. Feit: De eerste melk, colostrum, is wel aanwezig, bevat veel eiwitten, mineralen en afweerstoffen, en is nodig voor de baby.
Spataderen tijdens de zwangerschap
Tijdens de zwangerschap kunnen spataderen ontstaan, wat kan leiden tot huidafwijkingen, eczeem, roodheid, schilfering of verkleuring van de huid. Ook kan vochtophoping optreden door verminderde terugstroom van bloed. Klachten kunnen jeuk, zware, vermoeide of pijnlijke benen zijn.
Voorkomen van spataderen
Om spataderen te voorkomen, wordt aangeraden veel te lopen en de voeten op en neer te bewegen om de kuitspieren te stimuleren. Het dragen van elastische kousen bevordert de bloeddoorstroming. Langdurig stilstaan dient te worden vermeden. Het hoger leggen van de benen tijdens zitten en slapen helpt de bloedsomloop. Zitten met de benen over elkaar dient te worden vermeden, omdat dit de aderen kan afknellen.
Behandeling van spataderen
Indien spataderen geen klachten geven, is behandeling niet nodig. Mocht dit wel het geval zijn, dan kan contact worden opgenomen met de huisarts voor mogelijke behandelingen zoals elastische kousen, dichtspuiten, strippen, lasertherapie of ambulante flebectomie. Het is raadzaam te wachten met behandeling tot zes maanden na de bevalling.
Borstkanker en borstvoeding
Borstvoeding geven beïnvloedt het risico op borstkanker positief: hoe langer gevoed wordt, hoe lager het risico. Borstvoeding biedt echter geen garantie tegen borstkanker.
Borstkanker is de meest voorkomende vorm van kanker bij vrouwen in Nederland. De kans op borstkanker neemt toe na het dertigste levensjaar. Meerdere zwangerschappen en langdurige borstvoeding geven het risico op borstkanker een verminderende invloed.

Het beschermende effect van borstvoeding wordt toegeschreven aan twee factoren: een lager oestrogeengehalte door het uitblijven van menstruatie tijdens borstvoeding, en de differentiatie van borstweefsel, waarbij ongedifferentieerde cellen zich ontwikkelen tot melkklieren en melkgangen. Deze differentiatie remt celdeling en vermindert de kans op tumorvorming.
Factoren die het risico op borstkanker vergroten zijn onder andere het slikken van de pil, overgewicht (door oestrogeenproductie in vetweefsel) en het drinken van drie of meer glazen alcohol per dag.
Borstzelfonderzoek
Hoewel borstzelfonderzoek niet langer de primaire methode is om borstkanker vroegtijdig op te sporen, is het belangrijk de borsten goed te kennen. Het beste moment voor zelfonderzoek is één week na de menstruatie, wanneer de borsten het minst gezwollen zijn. Tijdens borstvoeding voelen de borsten anders aan door de aanwezigheid van bloed en lymfevocht, en de dagelijkse vulling en lediging. Door de borsten maandelijks op een vaste dag te onderzoeken, kan onderscheid worden gemaakt tussen normale bobbeligheid en mogelijke knobbeltjes. Een knobbel die na een voeding kleiner wordt, is vaak gerelateerd aan melkkliertjes of een verstopt melkkanaaltje.
Elke verandering in of op de borst waarvan de oorzaak onbekend is, zoals een plotselinge verkleuring van de huid, een verkleurde of schilferige tepel zonder duidelijke oorzaak, of een terugkerende borstontsteking die niet reageert op behandeling, kan een reden zijn om contact op te nemen met de huisarts.
Diagnostiek bij borstafwijkingen
Bij verdenking op borstkanker volgt na bezoek aan de huisarts verder onderzoek in het ziekenhuis, zoals een mammografie, echografie of MRI-scan. Een mammografie kan lastiger te interpreteren zijn tijdens borstvoeding vanwege het aanwezige weefsel. Röntgenstralen hebben geen invloed op de melk. Een echografie kan beter onderscheid maken tussen vaste knobbels, cysten en abcessen. Bij jonge vrouwen wordt vaak eerst een echografie gemaakt.
Afhankelijk van de uitkomst kan een punctie (weefselcellen/vocht opzuigen) of biopsie (weefsel verwijderen) volgen. Deze procedures beïnvloeden de borstvoeding doorgaans niet.
Behandeling van borstkanker
Behandeling van borstkanker omvat vrijwel altijd een operatie. Bij een kleine tumor kan borstbesparende chirurgie worden toegepast, gevolgd door bestraling, chemotherapie of hormoontherapie. Bestraling tast de melk in principe niet aan, maar kan de melkproductie in de bestraalde borst bemoeilijken. Bij een borstverwijdering kan met de andere borst volledig borstvoeding worden gegeven. Ook na behandeling is het mogelijk om zwanger te worden en borstvoeding te geven.
Geelzucht bij pasgeborenen
Alle pasgeboren baby's hebben in de eerste levensdagen verhoogde bilirubineconcentraties in hun bloed, wat kan leiden tot geelverkleuring van de huid en het oogwit. Pathologische geelzucht, veroorzaakt door een ziekte of aandoening, komt minder vaak voor. De late (borstvoedings-) geelzucht begint vijf tot zeven dagen na de geboorte en kan tot tien weken duren. Een mogelijke oorzaak is dat een factor in de moedermelk de heropname van bilirubine via de darmen van de baby versnelt.
Het vaststellen van het type geelzucht kan lastig zijn, omdat verschillende vormen tegelijkertijd kunnen optreden. De behandeling wordt echter voornamelijk bepaald door de hoogte van het bilirubinegehalte.
tags: #aders #verkleuren #borstvoeding