Het begrip kindbeeld is van zowel pedagogische als literaire aard, hoewel vaak slechts één van beide aspecten wordt belicht. Hedendaagse kinderdichters als Willem Wilmink presenteren een stroom aan kindbeelden, waaruit een overkoepelend beeld gekozen en geconstrueerd moet worden. In dit perspectief analyseert Piet Mooren de correspondenties tussen het autobiografische kindbeeld van Wilmink, zijn portretten van kinderen en twee van zijn essays over zijn voorgangers.
Anders dan vaak wordt aangenomen, blijkt Willem Wilmink, vanwege zijn verwantschap in thema's en vormprocédés, veel meer een dichterzoon van Hiëronymus van Alphen dan van Annie M.G. Schmidt. In 1999 beschreef Maaike Meijer in haar inaugurele rede wat groot worden met de gedichten van Annie M.G. Schmidt voor haar is gaan betekenen. Willem Wilmink geldt als de dichterzoon van Annie M.G. Schmidt, die stem gaf aan de protestgeneratie met teksten als de volgende, geschreven voor het televisieprogramma J.J. Het kindbeeld van "Ik ben lekker stout" stempelt Annie M.G. Het was immers in een column in Elsevier dat Michel van der Plas de makers van dit televisieprogramma hekelde als zedenbedervende van de jeugd. Of zoals Wilmink het zelf samenvatte: ‘[dit lied werd] door Michel van der Plas aangehaald in het weekblad Elsevier, om aan te tonen hoe de Vara-tv de jeugd tot criminaliteit pleegt aan te zetten.’ Voor die angst is inderdaad alle reden, wanneer de burgerlijke etiquette van het handjes geven tot absolute norm verheven wordt en het lied naar de letter en niet naar de geest van het fictieve roverslied opgevat wordt, ook al heet het: ‘het is maar een spel’.

Naast deze politiek-utopische en sociaal-pedagogische kindbeelden zijn er bij beide dichters ook heel andere kindbeelden te vinden, van nonsensicaal-literaire of psychologisch-literaire aard bijvoorbeeld. Joke Linders laat de verbindende schakel tussen latere kinderboekenschrijvers en Schmidt uitsluitend bestaan uit een anti-moraal: ‘de anti-meneren en mevrouwenmentaliteit van Annie M.G. Schmidt die als anti-moraal tal van auteurs tot voorbeeld is geweest, met name de leden van het Schrijverskollektief (Wilmink, Dorrestijn, Eykman).’ Anne de Vries legt in zijn Lexicon-artikel over Annie M.G. Schmidt geen verbinding tussen het literaire en het pedagogische aspect via het overkoepelend begrip kindbeeld, dat hij zelf heeft geïntroduceerd in datzelfde Lexikon. In dat artikel wijst hij aan de hand van de bestseller Grootbrengen door kleinhouden van Lea Dasberg op veranderingen in het kindbeeld. De Vries onderscheidt trefzeker drie typen versjes: wonderlijke versjes rond excentrieke figuren als de dame die liever kat wil zijn, meneer Van Peet die 's zomers een week in de koelkast gaat zitten of de burgemeester van Hogezande, die eendjes tekent op de wanden en tijgertjes, wanneer hij tot inkeer is gekomen; versjes waarin kinderen rebelleren tegen de regels van volwassenen zoals handjes geven bijvoorbeeld; en ten slotte versjes over grote gebeurtenissen in het kinderleven zoals een losse tand.
Meneer van Peet, de burgemeester van Hogezande of Mr. Van Zoeten die zaterdags zijn voeten waste in het aquarium laten kinderen immers zien dat je groot kunt groeien zonder het kind zijn af te leggen en dat je het rijk van de kinderjaren mee kunt nemen naar het rijk der volwassenen. Schmidt deed dat door altijd acht te blijven, Wilmink door altijd elf te blijven en Kuijer door zich in Het Geminachte Kind tegen apostel Paulus te keren en later, in Het boek van alle dingen, op gezag van Mr. De Vries. Onderkent in de rebellerende kindergedichten al evenmin een overkoepelend kindbeeld met navenante positieve of negatieve rolmodellen: de wijsneus ‘Stoffeltje Steven’, de beterweter ‘Diedeltje Dei’ (‘Ik dans met de gans en ik trouw met de pauw’), het heilige boontje ‘Het zoetste kind’, het verwende nest ‘Klarinet, het koningszoontje’, het boosaardige kind ‘Beppie Snauw’ (‘en snauwde zelfs in Artis tegen al de olifanten’) of het demonische kind ‘Kabouter Stokebrand’. Die groeimodellen laten zien hoe iemand als het prinsesje Toerlantijntje.
Naast de literaire benadering van De Vries en de pedagogische benadering van Linders kiezen auteurs ook voor een geïntegreerde benadering van beide aspecten. Zo gaan pedagogen en psychologen, sociologen, etnologen en literatuurwetenschappers in de bundel Het onuitstaanbare kind op zoek naar nog onbeschreven typen kindbeelden. Uit de gegeven voorbeelden zal duidelijk zijn geworden dat het begrip kindbeeld zowel pedagogische als literaire aspecten omvat en dat de keuze voor het ene of het andere aspect veelal een kwestie is van taakverdeling, omdat beide aspecten niet zomaar eventjes tot hun recht kunnen komen. Buijnsters speelt dat weliswaar in zijn eentje klaar, maar hij doet dat in een biografie voor een oeuvre van beperkte omvang, althans voor wat het op het kind gerichte aandeel betreft, terwijl de productie van kindergedichten intussen fors toegenomen is. Van Alphen publiceerde drie dichtbundels met in totaal 66 gedichten, Schmidt tien bundels met 347 kindergedichten en Wilmink dertig dichtbundels met ongeveer 700 kindergedichten. Dat dwingt in een verkenning van het kindbeeld van Willem Wilmink tot een pars pro toto-aanpak.
Willem Wilmink: Autobiografische Gedichten en Jeugdherinneringen
Willem Wilmink heeft een keur van autobiografische gedichten over zijn kindertijd en adolescentenjaren geschreven. Zelfs heeft hij in het voetspoor van de door hem zeer bewonderde Hendrik de Vries een levensbericht in verzen geschreven onder de titel Waar komt dat kind vandaan? Die bundel begint op 25 oktober 1936, de dag van zijn geboorte, waarover hij vervolgens bericht alsof hij er zelf met zijn volle verstand bij was. Zo kan hij zich nog precies herinneren dat hij op die dag niet alleen kennis maakte met zijn opa en oma uit Glanerbrug, maar ook met zijn buurmeisje: ‘Zij was één jaar en droeg een strik in haar gitzwarte haar’.
Vier gedichten gaan over de oorlog. Uit de data (mei 1940, Sinterklaas 1942, 10 oktober 1943, na 10 oktober 1943 en 25 oktober 1943) laat zich aflezen dat zich op die tiende oktober iets aangrijpends heeft voorgedaan. Er waren kinderen bij. Van die bommen wordt Wilmink zo ziek dat hij de stad uit moet naar een boerderij om weer aan te sterken en op te knappen.
Binnen deze rangen en standen wordt dit Enschedees Lyceum voor hem ‘De spookschool’ totdat zijn vader hem naar het Christelijk Lyceum in Almelo laat gaan. De nieuwe school. voor iedereen. nazomer 1949. Iets hogers doen dan op een trekzak spelen.
Wilmink weet steeds weer de ogen te openen voor kinderen die de dupe worden van vooroordelen of die er alleen voor komen te staan: het kind dat als een opschepper gezien wordt, omdat zijn welgestelde ouders zich op hun pas verworven rijkdom laten voorstaan; een mongool als Frekie; een trage leerling, die 's nachts in bed pas lacht over een grap van de meester; zijn zoon die verkleed als Prikkebeen niet over het schoolplein durft, bang als hij is om uitgelachen te worden; de Surinaamse Glenn die om zijn huidskleur achtergesteld wordt; een kind dat bang is voor de dood of een kind dat nog in bed plast. In het gedicht Dat overkomt iedereen wel doet hij dat door de ik-figuur over de schaamte heen te helpen dat zijn vriendjes zijn pyjamabroek aan de waslijn zien hangen en dan zullen denken dat hij in zijn bed geplast heeft.
Over de geneeskracht van dit gedicht zei Wilmink in een interview met Adriaan van Dis: ‘Zeg tegen een kind: Johan Cruyff heeft tot zijn veertiende in bed gepist. Dan zegt ie: Word je dan niet een slap lulletje, als je dat doet?’
Wilmink waagt zich in het gedicht ‘Goethe voor kleuters’ zelfs aan een bewerking van het door Schubert op muziek gezette gedicht Erlkönig, ook al zal menigeen deze wereld vol vrees, dreiging en noodlot ongeschikt vinden om er voor kleuters een bevrijdingslied uit te distilleren. Er is geen wasgoed dat woorden kent.’ Eerdere ervaringen met smaakverschillen als onverenigbare standsverschillen neemt hij onder meer tot thema in het lied ‘Mijn vriendje’. Om treurige liedjes te zingen.
De Literaire Invloeden op Willem Wilmink
Volgens Joke Linders zou Willem Wilmink vooral de dichterzoon van Annie M.G. Schmidt mogen heten omdat hij aansluiting heeft gezocht bij haar anti-moraal. In zijn opstel over Schmidts werk vestigt Wilmink echter de aandacht op een heel ander aspect van haar werk, dat minstens zoveel invloed op hem heeft uitgeoefend, namelijk haar gedifferentieerd gebruik van gepaard, gekruist en omarmend rijm. In die leemte voorziet hij aan de hand van diverse voorbeelden.
Gepaard, Gekruist en Omarmend Rijm: Een Analyse
Gepaard rijm (aabb) is het vertellersrijm, gekruist rijm (abab) is objectiever en minder gevoelig van aard, en omarmend rijm (abba) geeft aan ‘elke strofe iets in zichzelf beslotens: de strofen komen apart van elkaar te staan als in een betoog. Carmiggelt heeft voor dit rijmschema altijd een voorkeur gehad en die kan hij te danken hebben aan zijn leermeester Willem Elsschot. Annie Schmidt is op haar beurt zo geen leerling, dan toch zeker een geestverwant van Carmiggelt. Zij gebruikt het omarmend rijm zelden, maar wel heel effectief.’ Wilmink citeert uitsluitend uit de bundel gedichten voor volwassenen Tot hier toe, terwijl Schmidt ook in haar bundel kindergedichten Ziezo zo nu en dan gebruik maakt van omarmend rijm. Meestal in een mengvorm zoals in het volgende vers uit Tot hier toe.
In zijn commentaar neemt hij de relatie tussen omarmend, gekruist en gepaard rijm naar de letter: eerst vraagt hij zich af of in het aanstellerige ‘Mon Dieu’ de ik van dit gedicht of Annie M.G. Schmidt zelf aan het woord is, vervolgens of het bij dit vrouwentype om haar zelf gaat of om een portret. En ten slotte verwijst hij indirect naar de (partiële) langjarige seksuele onthouding waar de keurige meisjes uit de gegoede klasse zich aan dienden te houden volgens de mores van wat Dasberg het reservaat van jeugdland noemde. Of ook Annie M.G. Schmidt onder dat moratorium geleden heeft, laat Wilmink in het midden, maar zijn eigen ervaringen als Amsterdamse student herkent hij eerder in wrok dan in verwondering: ‘een portretje van zo'n typische AVSV-studente van vroeger jaren, zoals ik ze me maar al te goed herinner. Je mocht alles, behalve dat ene, dat steeds weer verhinderd werd. Later is Wilmink in poeticis de opgelopen schade dubbel en dwars gaan inhalen, door als het maar even kon gepaard rijm of de gekruiste rijmstand te nemen en slechts in hoogst uitzonderlijke gevallen omarmend rijm. Overigens opnieuw in een mengvorm, omdat de twee eerste regels steeds de uitgangspositie weergeven als aanleiding om met dat rijm de arm om iemand heen te slaan.

Ongetwijfeld heeft Annie M.G. Schmidt met gedichten als ‘Ik ben lekker stout’, ‘Slordige Saartje’ of ‘Het zoetste kind’ een anti-moraal tot leven geroepen. De twee eerste gedichten zet ze immers de op deugdzaamheid gerichte gedichten van Van Alphen op de kop, zoals al eerder bij monde van Wilmink over het eerste gedicht werd opgemerkt. En met het laatste gedicht heeft ze de negentiende-eeuwse brave Hendrikmoraal in de jeugdliteratuur resoluut de deur gewezen door geestig en effectief aan te tonen dat een overdaad aan deugd wel moet leiden tot ondeugden van kinderen.
In zijn productie van kindbeelden die gezien en niet onopgemerkt zijn gebleven, is Wilmink dan ook niet zozeer de dichterzoon van Schmidt die haar antimoraal voortzet als wel de dichterzoon van Hiëronymus van Alphen die getroffen is door diens sensibiliteit voor het denken en voelen van een kind. Of, zoals Wilmink in hetzelfde interview met Adriaan van Dis zegt, ‘de essentiële dingen van een kinderleven heeft hij feilloos aangevoeld. Van Alphen heeft het over: “Mijn lieve kinders, schrikt tog niet,/ Wanneer gij dode menschen ziet;/ Zoudt gij voor lijken beven?” Over de dood lag mijn zoontje Michiel wakker. Hij begreep niet goed wat doodgaan was. Het was een soort vallen voor hem in een diep gat. Kinderen vragen: wat is dat, dat ik doodga? Hoe kan dat nou? En dan is het gekke dat de hemel niemand aanspreekt. In de hemel zit je bij God en wat moet je dan doen? Is er wel een voetbalveld? Wat ze altijd geweldig vinden, dat is de reïncarnatie. Dan denken ze, gôh, dan word ik een beest. Opvallend in dit lied is dat er van moraal in het geheel geen sprake is, integendeel, het gaat over voorstellingen over het leven na de dood ‘Jenseits von Gut und Böse’ met de concrete ingrediënten van het christelijke, hemelse paradijs, van de oneindige oosterse mogelijkheden van de reïncarnatie of van een nuchtere, welverdiende honderdjarige dag- en nachtrust. Want ik ben moe’.
Wilmink heeft zich behalve door de thema's ook door de versvormen van Van Alphen laten inspireren. Bij haar te zijn. Deze vorm doet sterk denken aan een reeks van dertig liedjes die hij voor Het Klokhuis schreef en waarvoor Harry Bannink de muziek componeerde die op een draaiorgel uitgevoerd werd. Regel 1 en 2 en regel 4 en 5 tellen steeds acht lettergrepen en regel 3 en 6 steeds 4 lettergrepen.
Dit liedje komt qua vorm exact overeen met een liedje dat zich sinds de beginjaren zeventig in een grote populariteit mag verheugen, en dat, in 1974, in de uitvoering van de cabaretgroep Don Quishocking de Louis Davidsprijs kreeg. Deze tekst bleek het titelgedicht van de in 1971 verschenen bundel Goejanverwellesluis. Korenschoven, liedjes en gedichten. Volgens de flaptekst is Wilmink na zijn debuut Brief van een Verkademeisje, waarin hij de liedtraditie van onder meer Speenhoff voortzette, nu teruggekeerd naar dichtvormen als die van Bellamy. Over de vraag of ook dichtvormen van Van Alphen tot korenschoven bijeengeraapt zijn, laat de flaptekst zich niet uit, ook al lijkt daar alle aanleiding toe.
Ten slotte, het zal duidelijk zijn geworden dat Wilmink niet zonder het nodige voorbehoud geassocieerd kan worden met de protestgeneratie, want het gaat hem vooral om empathie met slachtoffers en om psychologisch en moreel inzicht in underdogs, ook in een anti-oorlogslied als Huiswerk dat Herman van Veen in zijn repertoire heeft.
Willem Wilmink: Vertaler en Verhalenverteller
Willem Wilmink werd in 1936 geboren aan de Javastraat 167 te Enschede in een socialistisch geëngageerd gezin. Hier maakte hij de Tweede Wereldoorlog mee. Hij beschrijft ergens dat hij moest schuilen in de kelder. Later is het gezin verhuisd naar villa De Koepel in Usselo. Zijn vader was procuratiehouder in de textiel. Na het behalen in 1954 van zijn eindexamen Gymnasium-α aan het Christelijk Lyceum in Almelo, ging Wilmink Nederlands studeren aan de Universiteit van Amsterdam. Na zijn kandidaats studeerde hij ook Geschiedenis. Gedurende zijn studie schreef hij zijn eerste gedichten en cabaretteksten. Hij publiceerde in de "Almanak van de vereniging USA" en schreef teksten voor de studentencabaretgroep "La Pie Qui Chante" (De zingende ekster). Van 1961 tot 1978 was Wilmink universitair docent moderne letterkunde aan het Instituut voor Neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam.
Wilmink had in zijn jeugd accordeonles gehad en trad tijdens de feestavonden van zijn vakgroep op met zijn accordeon en zong smartlappen of tekstbewerkingen van middeleeuwse liederen. Hij vertaalde onder meer de Beatrijs uit het Middelnederlands in het modern Nederlands. In 1988 promoveerde Wilmink aan de Katholieke Universiteit Brabant met een proefschrift over de poëzie van Hendrik de Vries. Hij was ook bekend als literair vertaler en bezorger van gedichten van Emily Dickinson en W.H. Auden. In samenwerking met neerlandici vertaalde hij het verhaal van de legendarische Ierse heilige Brandaan. Hij leverde in samenwerking met de neerlandicus W.P. Gerritsen ook vertalingen voor de bundel Lyrische lente, een bloemlezing van middeleeuwse poëzie. Een aantal beschouwingen over middeleeuwse literatuur bundelde hij onder de titel Mijn middeleeuwen.
Don Quishocking in 1974. Vanaf 1965 schreef Wilmink gedichten, essays, liedjes en proza voor de literaire tijdschriften Tirade, Maatstaf en De Revisor. Zijn literair debuut was in 1966 met de dichtbundel Brief van een Verkademeisje. Samen met Hans Dorrestijn, Karel Eykman, Ries Moonen, Fetze Pijlman en Jan Riem vormde Wilmink in 1970 een schrijversgroep (opgericht door de VARA), die schreef voor televisieprogramma's als De Stratemakeropzeeshow, Het Klokhuis, De film van Ome Willem, Sesamstraat, J.J. De Bom voorheen De Kindervriend en Kinderen voor Kinderen. Ook schreef hij veel liedjes voor musicals. In 1978 werd Wilmink fulltime tekstschrijver en vestigde hij zich in Capelle aan den IJssel. Tot aan zijn overlijden schreef hij op een typemachine, omdat hij niet op een computer wilde werken. Met zijn eigen begeleidingsgroep Quasimodo trad Wilmink in de jaren '90 regelmatig op als zanger, waarbij hij ook de accordeon bespeelde. Zijn liederen zijn ook door veel anderen vertolkt, waaronder Herman van Veen (Hilversum III, Als het net even anders was gegaan, De bom valt nooit, Signalen), Wieteke van Dort (Arm Den Haag), Joost Prinsen (Frekie), de cabaretgroep Don Quishocking (Oude school) en Boudewijn de Groot (Spelende meisjes). Ook schreef Wilmink teksten voor gitarist en componist Karel Bosman. Veel van zijn teksten zijn door Harry Bannink en Frank Deiman op muziek gezet. Later maakte ook zijn stiefdochter Marieke Moll composities op Wilminks teksten.
Wilmink heeft veel kinderboeken op zijn naam staan. Aanvankelijk richtte hij zich op volwassenen, maar later werden kinderen zijn voornaamste doelgroep. Wilmink schreef gedichten en verhalen voor volwassenen en voor kinderen, teksten voor cabaret en televisie en een driedelige cursus over gedichten schrijven. Hij bewerkte oude teksten zoals "De reis van Sint-Brandaan" uit de 12e eeuw en verklaarde het Wilhelmus. Hij vertaalde gedichten en prentenboeken uit het Duits, Engels, Frans en Afrikaans. De tekst van de Carmina Burana vertaalde Wilmink in het Nederlands voor een serie uitvoeringen die op 11 mei 1996 in Enschede in première ging en ook op cd uitkwam. In 1995 heeft de Stichting De Roos de door Simon Koene geïllustreerde, bibliofiele uitgave Muzikale Beelden uitgegeven met gedichten bij De Schilderijententoonstelling en De Kinderkamer van Modest Moessorgski en Het Carnaval de Dieren van Camille Saint-Saëns.
Herman van Veen zingt "Ben Ali Libi, Goochelaar"
Willem Wilmink: Een Leven Lang Verbonden met Twente
Wilmink had een speciale band met Twente. Hij is niet alleen in de Javastraat in Enschede geboren, maar er ook gestorven. Op latere leeftijd wilde hij terug naar Twente. In 1991 ging hij wonen in de Javastraat, niet ver van zijn geboortehuis. In de maanden juli, augustus en september verschenen in de regionale krant Dagblad Tubantia zijn gedichten Javastraat, met herinneringen uit zijn jeugd. Een jaar later werden op de voorpagina op de maandagen een cursiefje "Wilmink op maandag" gepubliceerd waarin veelal de actualiteit ter sprake kwam. Direct na het overlijden van Willem Wilmink verzocht de gemeente Enschede een boek samen te stellen, een symbolisch monument, waarin de verknochtheid van de schrijver aan Enschede tot uitdrukking wordt gebracht.
Willem Wilmink sprak net als zijn vriend Herman Finkers Twents Nedersaksisch. Hij was trots op zijn streektaal. Hij schreef ook in het Twents, in ‘t Kupersdieks zoals hijzelf zei. Zo publiceerde hij Heftan tattat! (24 gedichten in 't stadsplat) ("heftan tattat" betekent: "(hij) heeft het aan het (zijn) hart gehad").
Het feit dat jongeren overal ter wereld zich verdiept hebben in deze klassieker van Auden en in hun moedertaal een creatieve draai aan het origineel hebben weten te geven, stemt mij gelukkig en hoopvol. Wilmink werd in 1936 geboren aan de Javastraat 167 te Enschede in een socialistisch geëngageerd gezin. Hier maakte hij de Tweede Wereldoorlog mee. Hij beschrijft ergens dat hij moest schuilen in de kelder. Later is het gezin verhuisd naar villa De Koepel in Usselo.[8] Zijn vader was procuratiehouder in de textiel. Na het behalen in 1954 van zijn eindexamen Gymnasium-α aan het Christelijk Lyceum in Almelo, ging Wilmink Nederlands studeren aan de Universiteit van Amsterdam.
Levenseinde in Enschede: Willem Wilmink stierf in 2003 in Enschede, de stad waar hij geboren was. Zijn laatste jaren bracht hij door in de Javastraat, dicht bij zijn geboortehuis, waar hij de lokale krant vulde met gedichten en cursiefjes.
