Het grootste gedeelte van je zwangerschap is de baarmoederhals (cervix) ongeveer 3 cm lang. De baarmoedermond is aan het begin van de bevalling meestal gesloten. Het kan wel zijn dat je tijdens de laatste weken van je zwangerschap al wat ontsluiting hebt. Weeën in deze fase zorgen ervoor dat de baarmoederhals korter wordt, gaat “verstrijken” of dunner wordt. Hierdoor begint de baarmoedermond te ontsluiten. Deze weeën zijn nog niet erg pijnlijk en meestal hoef je je activiteiten niet te onderbreken: overdag ga je zoveel mogelijk verder met je dagelijkse bezigheden, tenzij de verloskundige of gynaecoloog je anders heeft geinstrueerd. Krijg je deze weeën ’s nachts, dan kun je proberen te slapen of te rusten. Hoe lang je deze weeën hebt, verschilt per vrouw. De aanloop naar de volgende fase kan 24 uur duren.
Het komt soms voor dat een bevalling niet in de volgende fase overgaat. Dit is erg vermoeiend. Als de verloskundige dit signaleert, zal ze dit met jullie bespreken en kijken naar een ander beleid. De conditie van jou als moeder en jullie baby staat namelijk voorop.

De Fasen van de Bevalling
Een bevalling bestaat uit verschillende fases, die elk hun eigen kenmerken hebben. Het is belangrijk om te weten wat je kunt verwachten, zodat je je samen met je partner kunt voorbereiden en kunt bespreken hoe je partner je kan ondersteunen. De overgangen tussen de fases zijn niet altijd even duidelijk en kunnen elkaar overlappen. De ene fase duurt langer dan de andere, en dit verschilt ook per bevalling.
Fase 1: De Latente Fase
De latente fase is de voorbereidende fase van de bevalling. Het woord 'latent' betekent 'niet zichtbaar, verborgen of sluimerend'. Er gebeurt al wel iets in je lichaam, maar het is nog moeilijk te voorspellen of de bevalling echt gaat doorzetten. Je kunt weeën hebben die erg wisselen in lengte, kracht of regelmaat. Deze weeën worden ook wel voorweeën genoemd en zijn vaak niet erg pijnlijk. Ze kunnen aanvoelen als stevige menstruatiekrampen in je onderrug of onderbuik.
Tijdens de latente fase bereidt de baarmoedermond zich voor: deze wordt zachter (verweken), korter (verstrijken) en neemt een goede positie in (centreren). Soms verlies je in deze fase ook de slijmprop, een taaie, gelei-achtige prop die de baarmoederhals beschermde. Dit kan gepaard gaan met een beetje bloedverlies.
De duur van de latente fase kan sterk variëren, van een paar uur tot wel 24 uur of langer, vooral bij een eerste bevalling. Het is belangrijk om in deze fase zoveel mogelijk te ontspannen en afleiding te zoeken. Probeer te rusten, goed te eten en regelmatig te drinken. Een warme douche of bad kan ook helpen om te ontspannen en de intensiteit van de weeën te verlagen. Je hoeft de verloskundige nog niet te bellen om een heads-up te geven; concentreer je op rust en comfort.

Fase 2: De Actieve Fase (Ontsluitingsfase)
De actieve fase, ook wel de ontsluitingsfase genoemd, begint wanneer je zeker weet dat de bevalling is begonnen en niet meer zal stoppen. De weeën volgen elkaar nu sneller op, komen regelmatig en duren langer. Ze worden krachtiger en vereisen al je aandacht om op te vangen. Samen met de latente fase zorgt de actieve fase voor de ontsluiting van de baarmoedermond, totdat deze volledig geopend is (10 centimeter).
Tijdens de actieve fase komen de weeën om de 3 tot 4 minuten en duren ze ongeveer 60 tot 90 seconden. De pijn kan in de buik, rug of benen gevoeld worden. Je moet de weeën actief wegzuchten. Het kan helpen om je in deze fase te concentreren op ademhalingstechnieken of ontspanningsoefeningen die je tijdens een zwangerschapscursus hebt geleerd.
Het is aan te raden om de verloskundige te bellen wanneer je in de actieve fase bent. Zij kan je begeleiden en controleren of de ontsluiting vordert. Sommige vrouwen ervaren misselijkheid of diarree in deze fase, omdat het lichaam al zijn energie gebruikt voor de weeën. Het is belangrijk om te blijven drinken en te proberen zo veel mogelijk te rusten tussen de weeën door.
De ontsluiting gaat meestal langzamer in het begin en versnelt naarmate de bevalling vordert. Bij een eerste bevalling kan de ontsluiting ongeveer 1 cm per uur vorderen. Als je vliezen nog niet gebroken zijn, gebeurt dit vaak spontaan in deze fase. Zodra de vliezen gebroken zijn, drukt het hoofdje van de baby rechtstreeks tegen de baarmoedermond.

Fase 3: De Overgangsfase
De overgangsfase, ook wel de transitiefase genoemd, is de overgang van volledige ontsluiting naar de persfase. Dit is vaak de meest intense en uitdagende fase van de bevalling. De weeën zijn op hun hevigst en komen zeer regelmatig, soms om de 1 tot 2 minuten. Veel vrouwen ervaren deze fase als het moeilijkste moment en hebben het gevoel dat ze het niet meer aankunnen. Het kan zijn dat je al persdrang voelt, maar nog niet mag persen omdat de ontsluiting nog niet volledig is.
Het is cruciaal om in deze fase de weeën weg te zuchten en de aanwijzingen van de verloskundige op te volgen. Ontspanning, hoe moeilijk ook, is essentieel. Deze fase duurt meestal niet lang, vaak maximaal twee uur, maar kan ook veel korter zijn.

Fase 4: De Uitdrijvingsfase (Persfase)
Wanneer je volledige ontsluiting hebt bereikt (10 centimeter), begint de uitdrijvingsfase, ook wel de persfase genoemd. Je baarmoeder trekt nu krachtig samen en je mag actief meepersen om je baby ter wereld te helpen. Het hoofdje van de baby drukt tegen je bekkenbodemspieren en veroorzaakt een sterk drukgevoel en persdrang. Veel vrouwen vinden het een opluchting om te mogen persen, omdat ze nu actief kunnen meewerken.
De persdrang kan in eerste instantie alleen op het hoogtepunt van de wee voelbaar zijn, maar gaat later over in een onhoudbare drang. Je kunt verschillende houdingen aannemen om te persen, zoals op bed, op de baarkruk, in bad of staand. Rechtop persen kan de persfase verkorten omdat de zwaartekracht meehelpt.
Tijdens het persen maakt je baby een schroefvormige beweging om door het geboortekanaal te gaan. Het hoofdje wordt geboren, gevolgd door de schouders en de rest van het lichaam. Bij een eerste bevalling kan het persen gemiddeld tussen de één en twee uur duren, bij volgende bevallingen vaak korter. De verloskundige of gynaecoloog zal je begeleiden en instructies geven wanneer je moet persen en wanneer je moet zuchten, met name als het hoofdje geboren wordt om uitscheuren te voorkomen.
Het baringskanaal bestaat uit het bekken en de vagina. Het bekken is door zwangerschapshormonen flexibeler geworden. De baby draait tijdens de persfase om door de verschillende vormen van het bekken te passen. Dit wordt de inwendige spildraai genoemd.
Soms kan het nodig zijn om van plan af te wijken, bijvoorbeeld als de bevalling stagneert. In dat geval kan de verloskundige of gynaecoloog besluiten tot een vacuüm- of tangverlossing, of zelfs een keizersnede.
Bevalling animatie
Fase 5: Het Nageboortetijdperk
Nadat je baby is geboren, is de bevalling nog niet helemaal ten einde. De placenta (moederkoek) en de vliezen moeten nog geboren worden. Dit wordt het nageboortetijdperk genoemd. Je baarmoeder trekt samen om de placenta los te maken van de baarmoederwand. Dit kan gepaard gaan met een paar lichte weeën. Door mee te persen worden de placenta en vliezen geboren.
De verloskundige of gynaecoloog controleert of de placenta volledig losgekomen is. Soms wordt een injectie met oxytocine gegeven om de baarmoeder beter te laten samentrekken. De placenta wordt meestal binnen 30 minuten na de geboorte van de baby geboren. Als dit langer duurt, kan het nodig zijn om deze onder narcose te verwijderen om overmatig bloedverlies te voorkomen.
Na de geboorte van de baby wordt de Apgarscore bepaald om de conditie van de baby te beoordelen. Dit gebeurt op vijf punten: ademhaling, hartslag, kleur, spierspanning en reacties. De baby kan maximaal 10 punten scoren.
De navelstreng wordt meestal doorgeknipt nadat deze is uitgeklopt, tenzij er een medische reden is om dit eerder te doen. Dit wordt vaak gedaan door de partner.
Het eerste uur na de bevalling wordt ook wel het gouden uur genoemd. Dit is een belangrijke periode voor herstel en voor de eerste hechting tussen de baby en de ouders, vaak door middel van huid-op-huidcontact.

Wat te doen bij complicaties of afwijkingen?
Elke bevalling is uniek en soms kunnen er complicaties optreden. Het kan gebeuren dat je voor of tijdens de bevalling naar het ziekenhuis moet, omdat de situatie anders loopt dan verwacht. De verloskundige of gynaecoloog zal je hierin begeleiden en samen met jou zoeken naar de beste aanpak, waarbij de gezondheid van moeder en kind voorop staat.
Als de placenta niet binnen een uur na de geboorte van de baby wordt geboren, kan deze soms onder narcose verwijderd moeten worden in het ziekenhuis om te voorkomen dat je teveel bloed verliest. Ook kan het voorkomen dat de baby de weg moet “vrijmaken” en langzaamaan de weefsels oprekt, wat het persen kan vertragen. Bij stagnering van de bevalling kan de verloskundige of gynaecoloog besluiten tot een vacuüm- of tangverlossing of zelfs een keizersnede.