Het kan voor ouders zorgen baren wanneer hun peuter nog niet loopt. De leeftijd waarop kinderen hun eerste stapjes zetten, varieert sterk. Sommige kinderen beginnen al rond het eerste jaar, terwijl anderen pas rond hun tweede verjaardag gaan lopen. Dit artikel belicht mogelijke oorzaken, geeft adviezen en schetst de normale ontwikkelingsfasen rondom het lopen.
Hypermobiliteit als mogelijke oorzaak
Een van de oorzaken waardoor een peuter nog niet loopt, kan hypermobiliteit zijn. Dit betekent dat de gewrichten, zoals de heupen, enkels en voetjes, extra beweeglijk zijn. Een kinderfysiotherapeut kan dit diagnosticeren. Hypermobiliteit kan ervoor zorgen dat een kind zich onstabiel voelt bij het staan, waardoor het lopen als "eng" wordt ervaren.
Een voorbeeld hiervan is een kind dat met 15 maanden nog niet opstond en op haar billen schoof. Na consultatie bij een kinderfysiotherapeut bleek zij hypermobiel te zijn, wat in combinatie met het billenschuiven als een dubbele uitdaging werd gezien. Meestal zetten kinderen met deze problematiek hun eerste losse stapjes tussen de 20 en 22 maanden.

Adviezen bij hypermobiliteit
Een veelgegeven advies bij hypermobiliteit is het aantrekken van stevige schoenen, met name schoenen die de enkels goed ondersteunen. Deze stevigheid helpt het kind stabieler te staan, doordat de enkels minder snel doorzakken. Dit kan het kind meer vertrouwen geven om te oefenen met staan en stappen. Sommige ouders ervaren dat hun kind hierdoor direct steviger op de vloer staat.
Naast stevige schoenen, kan het helpen om een kind bij de heupjes vast te houden in plaats van bij de handjes wanneer er geoefend wordt met lopen. Dit geeft meer controle en stabiliteit. Ook het stimuleren van beweging tussen de ouders door, waarbij het kind tussen hen in 'oversteekt', kan helpen om de loopontwikkeling te bevorderen.
Andere factoren die het lopen kunnen beïnvloeden
Naast hypermobiliteit zijn er diverse andere factoren die van invloed kunnen zijn op het moment dat een kind begint met lopen:
- Billenschuiven: Kinderen die op hun billen schuiven, kunnen soms later beginnen met lopen. Vaak is het wel mogelijk om via fysiotherapie het kruipen aan te leren, wat een goede voorbereiding is op het lopen.
- Ziekte of herstel: Een kind dat ziek is geweest of net herstelt van een ontsteking, kan tijdelijk achterlopen in de ontwikkeling.
- Voorkeur voor kruipen: Sommige kinderen vinden kruipen zo prettig en beheersen het zo goed, dat het lopen minder urgent lijkt.
- Onzekerheid en zelfvertrouwen: Gebrek aan zelfvertrouwen kan kinderen belemmeren om de stap te zetten. Het laten lopen op blote voeten of op sokjes met anti-slip kan de balans verbeteren.
- Lichaamsbouw: Factoren zoals de lengte van de beentjes of een wat voller postuur kunnen invloed hebben op het tempo waarin een kind leert lopen. Slankere kinderen zijn vaak beweeglijker.
- Genetische aanleg: Soms zit 'laat lopen' in de familie. Het kan de moeite waard zijn om na te vragen hoe snel ouders of andere familieleden vroeger leerden lopen.

Wanneer maak je je zorgen?
Hoewel de variatie groot is, zijn er wel richtlijnen voor de normale ontwikkeling. Kind en Gezin volgt de ontwikkeling van kinderen en kan vroegtijdig signaleren wanneer er sprake is van een trage ontwikkeling. Zij maken gebruik van standaardinstrumenten zoals het Van Wiechen onderzoek.
Algemene ontwikkelingsmijlpalen
Hoewel de focus ligt op lopen, is het belangrijk om de ontwikkeling van een kind in bredere zin te bekijken. Hier zijn enkele algemene richtlijnen:
- Zitten en optrekken: Een baby kan meestal vanaf 7 maanden zelfstandig zitten en zich rond de negende maand optrekken.
- Lopen: Kinderen stappen gemiddeld vanaf 13 maanden, eerst langs meubels en later zelfstandig. Het is echter niet ongebruikelijk dat dit pas rond het tweede jaar gebeurt.
- Eerste woordjes: De eerste duidelijke woordjes verschijnen meestal rond de 12 maanden, hoewel brabbelen al eerder begint.
- Sociale glimlach: Vanaf 6 weken kunnen baby's een sociale glimlach vertonen als reactie op contact.
Problemen met eten en drinken, zoals een slechte zuigreflex, moeite met kauwen en slikken, of obstipatie, kunnen eveneens wijzen op onderliggende problemen.
Ontwikkelingsstoornissen en trage ontwikkeling
In zeldzame gevallen kan een trage ontwikkeling het gevolg zijn van een ontwikkelingsstoornis. Dit is een neurologische of psychische aandoening die de normale ontwikkeling belemmert. De oorzaken hiervan kunnen divers zijn, variërend van erfelijkheid tot complicaties tijdens de zwangerschap of geboorte, of hersenbeschadiging na een ongeval. Vroege diagnose en gerichte hulp zijn hierbij cruciaal. Centra voor Ontwikkelingsstoornissen (COS) kunnen hierbij ondersteunen.
Het is belangrijk om te onthouden dat elk kind zich in zijn eigen tempo ontwikkelt. Wat voor het ene kind normaal is, kan voor het andere kind een uitdaging zijn. Het is niet ongebruikelijk dat kinderen pas rond hun tweede verjaardag gaan lopen.
Ontwikkelingsfasen van het kind | Mijlpalen in de grove motorische ontwikkeling van baby's
Omgaan met druk gedrag
Naast motorische ontwikkeling kan ook druk gedrag voorkomen bij peuters. Dit kan zich uiten in onrust, prikkelbaarheid, ongehoorzaamheid of impulsiviteit. Vaak is dit gerelateerd aan onvoldoende ontwikkelde remmende systemen in de hersenen. Kinderen kunnen erg gevoelig zijn voor prikkels en hebben behoefte aan veel beweging. Het is belangrijk om een kind positief te begeleiden, grenzen te stellen en activiteiten aan te bieden die passen bij de concentratieboog van een peuter.
Zindelijkheid en andere ontwikkelingsgebieden
De ontwikkeling van zindelijkheid staat los van het moment waarop een kind begint te lopen of eventuele mondmotorische problemen. Kinderen zijn doorgaans nog niet zindelijk met twee jaar. De interesse voor het potje begint vaak pas na de derde verjaardag. Het is raadzaam om hierbij niet te pushen en het kind zelf aan te geven wanneer het er klaar voor is.