Het berekenen van je uiteindelijke examencijfer, ook wel het eindcijfer genoemd, is een proces dat afhangt van verschillende factoren. Deze factoren bepalen hoe je cijferlijst er uiteindelijk uitziet en of je geslaagd bent. Dit artikel legt uit hoe je examencijfer wordt berekend, wat de rol is van het centraal examen en het schoolexamen, en wat de N-term inhoudt.
Wat is het examencijfer?
Het examencijfer is het cijfer dat uiteindelijk op je eindlijst en diploma komt te staan. Voor elk vak krijg je een eindcijfer, dat het examencijfer vertegenwoordigt. Dit cijfer is vaak een combinatie van je schoolexamens (SE) en je centrale examens (CE). In veel gevallen tellen beide onderdelen voor 50% mee. De formule hiervoor is:
Examencijfer = (SE-cijfer + CE-cijfer) / 2
Voor vakken die alleen met een schoolexamen worden afgesloten, zoals Lichamelijke Opvoeding (LO), geldt:
Examencijfer = SE-cijfer
Je examencijfers bepalen uiteindelijk of je geslaagd bent en hoe je geslaagd bent, bijvoorbeeld cum laude.
Het schoolexamencijfer (SE-cijfer)
Gedurende de laatste twee jaar van je middelbare school (of drie jaar voor vwo) leg je een reeks schoolexamens af. Dit zijn belangrijkere proefwerken die de wettelijk verplichte onderwerpen van een vak toetsen. Je docent bepaalt de weging van elk schoolexamen.
Er zijn twee manieren waarop je docent de weging kan toepassen:
- Alle schoolexamens wegen even zwaar: Het SE-cijfer is het gemiddelde van de cijfers van alle schoolexamens.
- Schoolexamens hebben een eigen weging: Elk schoolexamen krijgt een specifiek percentage toegewezen, wat resulteert in een gewogen gemiddelde.
Voorbeeld van SE-cijfer berekening (gelijke weging):
Stel je hebt vijf schoolexamens (SE's) behaald met de volgende cijfers:
- SE1: 7,3
- SE2: 5,4
- SE3: 6,9
- SE4: 7,7
- SE5: 5,8
Wanneer alle schoolexamens even zwaar wegen, bereken je het SE-cijfer als volgt:
(7,3 + 5,4 + 6,9 + 7,7 + 5,8) / 5 = 6,6
Je SE-cijfer is in dit geval 6,6.
Voorbeeld van SE-cijfer berekening (ongelijke weging):
Stel de wegingen zijn als volgt:
- SE1: 15%
- SE2: 15%
- SE3: 20%
- SE4: 25%
- SE5: 25%
Je SE-cijfer wordt dan berekend met de volgende formule:
0,15 * 7,3 + 0,15 * 5,4 + 0,20 * 6,9 + 0,25 * 7,7 + 0,25 * 5,8 = 6,7
Je SE-cijfer is bij deze weging 6,7.
Het centraal-examen-cijfer (CE-cijfer)
Het cijfer voor het centraal examen wordt berekend op basis van het aantal punten dat je hebt behaald, in combinatie met de landelijk vastgestelde normering (N-term). De precieze berekening van het CE-cijfer is pas bekend nadat de examens zijn nagekeken en de N-term is vastgesteld.
Formule voor het centraal examen cijfer:
De algemene formule die wordt gebruikt is:
C = 9 * (S / L) + N
Waarin:
- C = het cijfer voor het centraal examen
- S = het aantal punten dat je hebt behaald
- L = het maximaal aantal punten dat je zou kunnen halen
- N = de normeringsterm (N-term)
De N-term wordt vastgesteld door het College voor Toetsen en Examens (CvTE). Dit gebeurt door de resultaten van een testgroep examens te vergelijken met eerdere jaren en rekening te houden met opmerkingen van docenten en leerlingen. De N-term corrigeert voor de moeilijkheidsgraad van het examen en ligt doorgaans tussen de 0,0 en 2,0.

Berekenen wat je moet halen voor het CE
Voordat de examenuitslag bekend is, kun je op basis van je SE-cijfer berekenen welk CE-cijfer je nodig hebt om een bepaald eindcijfer te behalen.
Voorbeeld: Voldoende eindcijfer (5,5)
Stel je SE-cijfer is 6,6 en je wilt een eindcijfer van 5,5 behalen:
(6,6 + CE-cijfer) / 2 = 5,5
6,6 + CE-cijfer = 11
CE-cijfer = 4,4
Je moet dus een 4,4 halen voor het centraal examen om een eindcijfer van 5,5 te behalen.
Voorbeeld: Minimaal een 7,0 eindcijfer
Stel je SE-cijfer is 6,6 en je wilt minimaal een 7,0 als eindcijfer behalen:
(6,6 + CE-cijfer) / 2 = 7,0
6,6 + CE-cijfer = 14
CE-cijfer = 7,4
Je moet minimaal een 7,4 halen voor het centraal examen om op een eindcijfer van minimaal 7,0 uit te komen.
Na de examenuitslag
Zodra je CE-cijfer bekend is, wordt het eindcijfer eenvoudig berekend door het SE-cijfer en het CE-cijfer bij elkaar op te tellen en door twee te delen.
Cum Laude slagen
Om cum laude te slagen op de havo, moet het gemiddelde van je centrale examencijfers minimaal een 8,0 zijn. Het combinatiecijfer mag niet lager zijn dan een 6, maar de individuele cijfers die bijdragen aan het combinatiecijfer mogen wel lager dan een 6 zijn.
Voorbeeld combinatiecijfer voor cum laude
Een 9 voor maatschappijleer, een 5 voor Algemene Natuurwetenschappen (ANW) en een 7 voor het profielwerkstuk leveren gemiddeld een 7 op.
N.B. Eventuele extra vakken worden buiten beschouwing gelaten voor de cum laude regeling.
Vakken zonder centraal examen
Voor vakken waarvoor geen centraal examen is, is het afgeronde schoolexamencijfer het eindcijfer. Scholen mogen zelf bepalen of schoolexamencijfers tussentijds worden afgerond, wat vastgelegd wordt in het examenreglement.
Voorbeeld berekening zonder centraal examen
Stel, voor een vak zonder centraal examen haal je de volgende cijfers die allemaal even zwaar meetellen:
- 5,6
- 5,2
- 6,6
- 7,6
- 7,3
Het gemiddelde wordt berekend als:
(5,6 + 5,2 + 6,6 + 7,6 + 7,3) / 5 = 6,46
Als er niet tussentijds wordt afgerond, wordt dit gemiddelde omgezet naar een eindcijfer. Aangezien 6,46 lager is dan 6,5, wordt dit naar beneden afgerond tot een 6.
Echter, als er wel tussentijds wordt afgerond, wordt het gemiddelde eerst afgerond op één decimaal: 6,5. Vervolgens wordt dit getal afgerond naar een geheel getal voor het eindcijfer, wat resulteert in een 7.
Het combinatiecijfer
Sommige vakken worden apart getoetst, maar leveren geen individueel eindcijfer op. De cijfers van deze vakken vormen samen één eindcijfer: het combinatiecijfer.
Combinatiecijfer op de havo en vwo
Voor havo en vwo geldt dit voor de volgende vakken, waarvoor alleen schoolexamens worden afgenomen:
- Profielwerkstuk
- Maatschappijleer
- CKV (Culturele en Kunstzinnige Vorming)
Scholen kunnen ervoor kiezen om aanvullende vakken toe te voegen aan het combinatiecijfer, zoals:
- Literatuur
- Godsdienst/Levensbeschouwelijke vorming
- Algemene Natuurwetenschappen (ANW)
Het combinatiecijfer is het gemiddelde van de eindcijfers voor de verschillende vakken, waarbij alle cijfers even zwaar meetellen. Het gemiddelde wordt afgerond naar een geheel cijfer.
Voorbeeld combinatiecijfer havo/vwo
Stel je hebt de volgende eindcijfers (afgerond naar een heel getal):
- Profielwerkstuk: 8,3 (afgerond 8)
- Maatschappijleer: 6,7 (afgerond 7)
- CKV: 7,1 (afgerond 7)
Het gemiddelde wordt berekend als:
(8 + 7 + 7) / 3 = 7,3
Afgerond is je combinatiecijfer een 7.
Het gemiddelde van alle centraal examencijfers
Als je geen eindexamen doet in wiskunde, moet je het schoolexamen rekenen afleggen. Je centraal examencijfers zijn in een decimaal nauwkeurig. Tel al je centraal examencijfers op (niet afronden!) en deel dit getal door het aantal vakken. Je gemiddelde van alle centraal examencijfers waarover de uitslag wordt vastgesteld, moet minimaal 5,5 zijn.
NB Dit geldt niet als je in 2020 examen hebt gedaan en je cijfers van 2020 betrokken zijn bij de uitslagbepaling. In dat geval geldt het gemiddelde van 5,5 niet als de vakken waarin je in 2020 examen hebt gedaan normaal gesproken ook een centraal examen hebben.
Ook voor kandidaten die eerder zijn gezakt en opnieuw examen doen in het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo), geldt dat het gemiddelde van alle centraal examencijfers minimaal 5,5 moet zijn.
De N-term en grensrelaties
De N-term wordt vastgesteld nadat de examens zijn gemaakt door het College voor Toetsen en Examens (CvTE). Dit gebeurt onder andere door examens van het huidige jaar en eerdere jaren te vergelijken. Ook Cito doet normeringsonderzoek, en opmerkingen van docenten en leerlingen worden meegenomen. Op basis hiervan wordt bepaald of een examen makkelijker of moeilijker was dan voorgaande jaren, wat de N-term bepaalt.
Wanneer de N-term hoger of lager is dan 1, worden grensrelaties toegepast. Deze grensrelaties voorkomen dat het cijfer buiten het bereik van 1 tot 10 valt en passen het cijfer aan als het examen moeilijker (N > 1) of makkelijker (N < 1) was dan gebruikelijk.
De hoofdformule voor het omzetten van scores naar cijfers, die geldt voor de overgrote meerderheid van de kandidaten, is:
E = 9,0 / (S/G) + N
Waarin:
- E: Het eindcijfer voor je examen
- S: Het totaal aantal punten dat je kunt scoren op het examen
- G: Het totaal aantal gescoorde punten door de examenkandidaat
- N: De normeringsterm (tussen 0 en 2)
Een score van 0% correspondeert altijd met een examencijfer van 1,0.
Van DNA naar eiwit: transcriptie en translatie
De grensrelaties zijn nodig wanneer de N-term niet 1 is. Ze zorgen ervoor dat een kandidaat met 0% van de punten een 1 krijgt en een kandidaat met 100% van de punten een 10, ongeacht de N-term. De grensrelatie gaat uit van een minimum van 0,05 en een maximum van 0,20 cijferpunt per gescoord punt, wat betekent dat kandidaten met een hoge N-term vaak "bevoordeeld" worden, vooral die met een lage score.
tags: #hoe #wordt #het #examencijfer #havo #uitgerekend