Medische Informatie over de Geboorte en Neonatale Zorg

Situaties Na de Geboorte en Indicaties voor Medische Consultatie

Indien er meer dan 24 uur na de bevalling nog geen urineproductie of ontlasting (meconium) heeft plaatsgevonden na meer dan 48 uur, kan er overleg met een kinderarts worden ingesteld. Deze postpartumperiode vereist nauwkeurige observatie van de pasgeborene.

Hemolytische Ziekte van de Foetus en Pasgeborene (HZFP)

Tijdens de zwangerschap kunnen IgG-klasse erytrocytenantistoffen, gevormd door de moeder, de placenta passeren. Deze antistoffen kunnen zich binden aan de erytrocyten (rode bloedcellen) van de foetus, wat kan leiden tot hemolyse (afbraak van rode bloedcellen) bij de foetus of de pasgeborene. Dit ziektebeeld staat bekend als de hemolytische ziekte van de foetus en pasgeborene (HZFP).

Reguliere en Irreguliere Antistoffen

Anti-A- en anti-B-antistoffen komen van nature voor en worden als reguliere antistoffen beschouwd. Alle andere typen antistoffen ontstaan na blootstelling aan vreemde erytrocyten en worden irreguliere antistoffen genoemd.

Meestal zijn anti-A- of anti-B-antistoffen van de IgM-klasse, waardoor ze de foetus niet bereiken. Hemolyse veroorzaakt door anti-A- of anti-B-antistoffen van de IgG-klasse is doorgaans ante partum niet significant. Dit komt doordat A- en B-antigenen op foetale rode bloedcellen minder tot expressie komen dan bij pasgeborenen en volwassenen.

HZFP door Irreguliere Antistoffen

HZFP door irreguliere antistoffen ontstaat door maternale allo-immunisatie tegen foetale rode bloedcellen. Hierbij produceert de moeder antistoffen gericht tegen antigenen op de foetale erytrocyten. Dit gebeurt wanneer foetale erytrocyten, die positief zijn voor een bepaald antigen (meestal RhD), in de circulatie van de moeder terechtkomen, die negatief is voor dat specifieke antigen. Er zijn meer dan 50 verschillende erytrocytenantigenen bekend die geassocieerd zijn met HZFP.

Een goede indicator voor de verwachte ernst van de hemolyse bij het kind is de ADCC-test (antibody-dependent cellular cytotoxicity) met maternaal bloed. Voor RhD-antagonisme wordt een afkappunt van ≥50% gehanteerd voor de ADCC-test om verdenking op ernstige hemolyse te stellen.

Foetale Anemie en Gevolgen

Wanneer de mate van bloedafbraak de aanmaak overstijgt, ontstaat foetale anemie. Foetale anemie kan gepaard gaan met hepatosplenomegalie (vergroting van lever en milt) door extra-medullaire hematopoëse (aanmaak van bloedcellen buiten het beenmerg) of hydrops foetalis (vochtophoping in het foetale lichaam).

Schema van de hemolytische ziekte van de foetus en pasgeborene, met nadruk op de rol van maternale antistoffen en de gevolgen voor de foetus.

Zwangerschapszorg en Sociale Factoren

De Zorgstandaard Integrale geboortezorg adviseert om maternaal drugsgebruik en/of sociale problematiek zo spoedig mogelijk, bij voorkeur preconceptioneel, in kaart te brengen en interventies voor te stellen. Maternale drugsgebruik kan geassocieerd zijn met aangeboren afwijkingen bij het kind, zoals het foetaal alcohol syndroom, en op langere termijn ontwikkelings- en gedragsstoornissen.

Het is wenselijk dat hulpverleners al vroeg in de zwangerschap sociale problematiek inventariseren, de kennis hierover delen en een adequaat plan van aanpak opstellen, waarbij de veiligheid van het (ongeboren) kind voorop staat.

Medicatiegebruik en Gevolgen voor de Foetus/Pasgeborene

Bij elk medicatiegebruik door de moeder dient de verloskundig hulpverlener na te gaan waarom de medicatie is voorgeschreven. Dit om te beoordelen of het onderliggend lijden van de moeder consequenties heeft voor de foetus en/of pasgeborene, en welk effect het geneesmiddel kan hebben.

Specifieke Medicatie en Aandachtspunten

  • Insuline: Gerelateerd aan diabetes en zwangerschap, met aandacht voor glucosecontroles bij pasgeborenen.
  • Hyperthyreoïdie-medicatie: Gebruikt bij hyperthyreoïdie van de moeder, vereist consultatie van een kinderarts vanwege mogelijke schildklierproblemen en struma bij de pasgeborene. Controle van de neonatale schildklierfunctie is essentieel.
  • Magnesiumsulfaat en Labetalol: Er is geen specifieke richtlijn voor postpartumzorg na maternale toediening van magnesiumsulfaat en labetalol. Pasgeborenen die zijn blootgesteld aan magnesiumsulfaat ter behandeling van pre-eclampsie van de moeder, hebben mogelijk een verhoogd risico op respiratoire problemen en hypotonie direct postpartum.
  • B-blokkers: Een onderzoek naar zwangerschappen waarbij de moeder een B-blokker gebruikte tijdens de bevalling, toonde een verhoogde kans op neonatale hypoglycemie. Hoewel dit niet volledig aan labetalol kan worden toegeschreven, blijft individualisering van zorg en rekening houden met risicofactoren belangrijk.

Het is altijd raadzaam om de zorg voor een pasgeborene te individualiseren en risicofactoren, zoals de ernst van de pathologie van de moeder, mee te nemen in de beslissing om de pasgeborene wel of niet te observeren en te screenen op hypoglycemie.

Ziekte van Graves en Neonatale Schildklierfunctie

De ziekte van Graves wordt gekenmerkt door autoantistoffen gericht tegen de TSH-receptor. Foetale hyperthyreoïdie ontwikkelt zich in het derde trimester, wanneer de passage van antistoffen door de placenta toeneemt en de TSH-receptor bij de foetus functioneel wordt. Een hoge titer van deze antistoffen verhoogt het risico op foetale-neonatale hyperthyreoïdie (of hypothyreoïdie).

Deze antistoffen kunnen bij de moeder aanwezig blijven, zelfs na behandeling van de schildklier. De antistoffen die bij de moeder een stimulerend effect hebben, kunnen bij het kind een (tijdelijk) blokkerend effect op de TSH-receptor hebben. Direct na de geboorte dient de pasgeborene klinisch en biochemisch gecontroleerd te worden.

Congenitale Afwijkingen en Consultatie van de Kinderarts

In 77% van de protocollen werden congenitale afwijkingen als indicatie voor consultatie van de kinderarts genoemd. Indien prenataal gevonden echografische afwijkingen postnatale of langetermijnconsequenties kunnen hebben, is (prenatale) consultatie van de kinderarts geïndiceerd. Dit omvat een lichamelijk onderzoek met aandacht voor dysmorfieën, observatie van vitale functies en groei, en eventueel aanvullend onderzoek.

Illustratie van verschillende aangeboren afwijkingen die tijdens een prenatale echo zichtbaar kunnen zijn.

Dysplastische Heupontwikkeling en Luxatie

In de algemene zuigelingenpopulatie van nul tot zes maanden is de prevalentie van alle vormen van dysplastische heupontwikkeling 3 tot 4%. De prevalentie van heupluxatie is één à twee per duizend. In de meeste gevallen herstelt een neonataal luxeerbare heup spontaan binnen de eerste drie maanden (80-90%).

Systemische Lupus Erythematosus (SLE) en Neonatale Lupus

Bij Systemische Lupus Erythematosus (SLE) is er een verhoogd risico op vroeggeboorte. Neonatale lupus erythematosus komt voor in minder dan 5% van de SLE-zwangerschappen en is vaak geassocieerd met maternale anti-SSA- en/of anti-SSB-antistoffen.

Kenmerken van neonatale lupus erythematosus zijn:

  • Huidafwijkingen
  • Hematologische afwijkingen (anemie, leukopenie, trombocytopenie)
  • Leverenzymafwijkingen (meestal cholestatisch)
  • Hartafwijkingen (congenitaal compleet hartblok, cardiomyopathie)

De kans op foetale hartafwijkingen bij patiënten met SLE en anti-SSA-antistoffen is 3,5%. Congenitaal hartblok ontstaat tussen de 18e en 24e zwangerschapsweek wanneer antistoffen de placenta passeren. De verschijnselen van neonatale lupus verdwijnen spontaan na drie tot zes maanden.

Idiopathische Trombocytopenische Purpura (ITP) en Myasthenia Gravis

Bij Idiopathische Trombocytopenische Purpura (ITP) van de moeder kunnen autoantistoffen de placenta passeren en bij het kind een trombocytopenie veroorzaken. Bij myasthenia gravis kunnen maternale antistoffen bij het kind spierzwakte en hypotonie geven, wat kan leiden tot voedingsproblemen en respiratoire insufficiëntie. Neonatale myasthenia gravis wordt beschreven bij 10 tot 15% van de kinderen van moeders met myasthenia gravis.

Varicella Zoster Virus (VZV)-infectie

Bij een Varicella Zoster Virus (VZV)-infectie (waterpokken) bij de moeder tijdens de zwangerschap, is er een verhoogde kans (5%) op vroeggeboorte. Infectie van de foetus in de baarmoeder komt voor bij 8 tot 12% van de gevallen en kan leiden tot het congenitaal varicellasyndroom (CVS), gekenmerkt door huiddefecten, oogafwijkingen en hypoplastische ledematen, met of zonder afwijkingen van het centrale zenuwstelsel. De kans op CVS is het grootst (2%) bij infectie tussen de 13e en 20e zwangerschapsweek.

Indien de VZV-infectie van de moeder optreedt vijf dagen vóór tot twee dagen ná de bevalling, is er meestal sprake van infectie van de pasgeborene door aanzienlijke placentaire overdracht van het virus zonder overdracht van maternale antistoffen.

Asfyxie en Therapeutische Hypothermie

Er bestaan verschillende definities voor asfyxie, waarbij de Apgar-score, navelstreng-pH en kliniek worden gebruikt. Er is consensus over de noodzaak van een consult kinderarts bij een slechte start (100%) en over de indicatie voor therapeutische hypothermie bij asfyxie.

Indicaties voor Consultatie Kinderarts

Verschillende situaties tijdens de zwangerschap en bevalling kunnen aanleiding geven tot consultatie van een kinderarts:

  • Vroeggeboorte (VE): Geen consensus over de indicatie voor consultatie na een vroeggeboorte.
  • Sectio Caesarea (SC): De verantwoordelijkheid voor de opvang van de pasgeborene berust bij de kinderarts, ongeacht de amenorroeduur en de indicatie voor de sectio. In 25 van de 30 ziekenhuizen vindt een consult plaats, ook indien de sectio de enige reden is.
  • Maternale risicofactor voor early-onset sepsis of neonataal symptoom voor infectie: Observatie van de pasgeborene gedurende ten minste 12 uur.
  • Stuitligging: In 20 van de 30 protocollen was stuitligging een indicatie voor consultatie. Gezien de hogere kans op mortaliteit en ernstige morbiditeit bij een vaginale partus bij stuitligging, wordt de kinderarts laagdrempelig geadviseerd te consulteren.
  • Laag geboortegewicht: Altijd een indicatie voor consultatie. De reden van dysmaturiteit dient te worden onderzocht.
  • Groot Geboortegewicht (LGA): Voor 83% van de protocollen een indicatie voor consultatie.
Infographic die de verschillende indicaties voor consultatie van een kinderarts na de geboorte weergeeft.

Geboortegewicht en Glucosecontroles

Voor glucosecontroles bij pasgeborenen met een laag geboortegewicht (P90 als indicatie voor routinematige screening op neonatale hypoglycemie.

Voedingsproblemen bij Pasgeborenen

Voedingsproblemen, zoals (gallig) braken, kunnen wijzen op een obstructie van het Tractus Gastro-intestinalis. Slecht drinken kan ook een teken zijn van infectie, respiratoire of cardiale problemen. Voedingsproblemen kunnen leiden tot gewichtsverlies, hyperbilirubinemie en hypoglycemie.

Niet-Vorderende Ontsluiting Tijdens de Bevalling

Tijdens de ontsluitingsfase zorgen weeën ervoor dat de baarmoedermond opengaat. Normaal gesproken begint dit langzaam en versnelt het naarmate de ontsluiting vordert. Bij een eerste bevalling duurt het gemiddeld 1 centimeter per uur tot volledige ontsluiting. Een niet-vorderende ontsluiting treedt op wanneer dit proces langer duurt dan normaal.

Prevalentie en Herkenning

Ongeveer 11% van de vrouwen die voor het eerst bevallen, wordt doorverwezen naar het ziekenhuis vanwege een niet-vorderende ontsluiting. Bij vrouwen die al eerder vaginaal bevallen zijn, is dit ongeveer 3%.

Een niet-vorderende ontsluiting is te herkennen aan:

  • 8 uur weeën zonder meer dan 3 centimeter ontsluiting.
  • 3 centimeter ontsluiting die daarna niet of te langzaam vordert.

Risico's van Niet-Vorderende Ontsluiting

Een niet-vorderende ontsluiting brengt risico's met zich mee:

  • Uitputting van de moeder, wat leidt tot onvoldoende kracht om te persen.
  • Verhoogd risico op infectie door langdurig gebroken vliezen.
  • Beïnvloeding van de stofwisseling van de baby, met mogelijke verzuring van het bloed door verminderde placentaire voeding tijdens weeën.

Het is daarom belangrijk om medische hulp te zoeken in het ziekenhuis.

Oorzaken van Niet-Vorderende Ontsluiting

Mogelijke oorzaken zijn:

  • Een volle blaas die de weeën kan remmen.
  • Onbewust tegenhouden van weeën door angst, spanning of pijn.
  • Een te ver uitgerekte baarmoeder (bij meerling, groot kind of veel vruchtwater).
  • Te weinig druk op de baarmoedermond door een baby die nog niet goed is ingedaald of een afwijkende ligging heeft.
Illustratie die de verschillende oorzaken van een niet-vorderende ontsluiting weergeeft.

Voorbereiding op de Bevalling en Nazorg

Een goede voorbereiding op de bevalling, inclusief het regelen van praktische zaken en het verdelen van taken, creëert rust. Het is belangrijk om een netwerk op te bouwen van mensen op wie je kunt rekenen. Kraamzorg biedt ondersteuning bij huishoudelijke, lichaamsverzorgende, familiale en psychosociale taken.

De partner kan een belangrijke rol spelen tijdens de bevalling door steun te bieden, aan te moedigen en eventueel huid-op-huidcontact over te nemen. Het is raadzaam om vooraf te bespreken wie er aanwezig mag zijn op het verloskwartier.

Medische Procedures en Zorg Rondom de Bevalling

Wanneer de ontsluiting niet vordert, kan de verloskundige of gynaecoloog medische interventies toepassen. In het ziekenhuis zijn faciliteiten zoals douches en bevallingsbaden beschikbaar voor comfort en ontspanning. Epidurale verdoving kan worden aangeboden voor pijnstilling tijdens de arbeid.

Inductie van de bevalling kan om medische redenen nodig zijn, met behulp van orale medicatie, vaginale tabletjes, een ballonkatheter of een infuus met weeënopwekkende medicatie. Een keizersnede (sectio caesarea) is een chirurgische ingreep waarbij de baby via een incisie in de buikwand wordt geboren.

Tijdens de zwangerschap kunnen onderzoeken plaatsvinden om het risico op vroeggeboorte in te schatten, waaronder inwendig onderzoek, inwendige en uitwendige echo's, kweekafname en urineonderzoek. Een cardiotocografie (CTG) wordt gebruikt om de hartslag van de baby en de weeënactiviteit te monitoren.

Neonatale Onderzoeken en Screening

Na de geboorte ondergaat elk kind meerdere onderzoeken:

  • Eerste onderzoek (vlak na geboorte): In de verloskamer, gericht op de aanpassing aan het leven buiten de baarmoeder. De Apgar-test beoordeelt ademhaling, huidskleur, spierspanning, hartslag en reactie op prikkels.
  • Kop-tot-teen-onderzoek (rond 1 dag en 7 dagen oud): Een gedetailleerde controle van de huid, bloedsomloop, ademhalingssysteem, zenuwstelsel, zintuigen, spijsverteringsstelsel, geslachtsdelen, skelet en heupen.

Screening op aangeboren afwijkingen vindt 72 uur na de bevalling plaats via een hielprik, om vroegtijdige behandeling van ernstige aandoeningen mogelijk te maken.

Illustratie van de Apgar-test en de parameters die worden beoordeeld.

Specifieke Bevindingen bij Neonatale Onderzoeken

  • Huid: Lanugo (donsachtige haartjes), huidsmeer (vettig laagje), geelzucht, vlekkerige uitslag, aardbeivlek (hemangioom).
  • Voedingstoestand en vochtbalans: Een te kleine baby met een laag geboortegewicht kan wijzen op een groeistoornis. De elasticiteit van de huid geeft een indicatie van de vochtbalans.
  • Bevindingen veroorzaakt tijdens de geboorte: Geboortegezwel, bloeduitstorting op het hoofd of oogwit, breuk van het sleutelbeen.
  • Bloedsomloop: Controle van hartslag, hartgeruis en liespulsaties.
  • Ademhalingssysteem: Luisteren naar de longen, beoordelen van de ademhalingsfrequentie.
  • Zenuwstelsel en zintuigen: Beoordeling van schedel (fontanellen), beweging, reflexen (zuig-, grijp-, schrik-, stapreflexen), ogen en oren.
  • Spijsverteringsstelsel: Controle van gehemelte, buik (lever, milt), navelstomp en anus.
  • Geslachtsdelen: Controle van de ontwikkeling en vorm.
  • Skelet en heupen: Beoordeling van ledematen, vingers, tenen, klompvoet, en heupbeweeglijkheid.
  • Gewicht: Normaal is een gewichtsverlies van 10% in de eerste 5 dagen.

Postpartum Zorg en Ondersteuning

Na een 'gewone' bevalling verblijven moeders en baby's vaak 2 tot 3 dagen in het ziekenhuis. Daarna kan men rekenen op de zorg van een vroedvrouw en een kraamverzorgende. Het is belangrijk om tijdig kraamzorg aan te vragen.

Geboorteverlof voor de partner bedraagt 20 dagen, op te nemen binnen 4 maanden na de geboorte. Borstvoedingspauzes of -verlof zijn mogelijk wanneer de moeder weer aan het werk gaat.

De CM (Christelijke Mutualiteit) biedt diverse diensten en voordelen voor jonge gezinnen, waaronder terugbetalingen voor kraamzorg, NIP-tests, en toegang tot informatie en advies.

Animatie ontwikkeling van baby in moeder

tags: #geboorte #geen #weeen #baby #komt #niet