Tijdens de zwangerschap en bevalling is het essentieel om de conditie van de baby goed in de gaten te houden. Een veelgebruikte methode hiervoor is cardiotocografie (CTG), ook wel bekend als een cardiotocograaf. Dit apparaat registreert de hartslag van de baby en de samentrekkingen van de baarmoeder (weeën). Hoewel artsen en verpleegkundigen de grafieken op de monitor kunnen interpreteren, is het nuttig om zelf te begrijpen hoe deze gegevens gelezen kunnen worden. Dit artikel biedt een gids voor het begrijpen van de werking van CTG-apparaten en het lezen van de bijbehorende grafieken.

Hoe werkt een CTG?
Bij het uitvoeren van een CTG moet de buik van de zwangere vrijgemaakt worden. Vervolgens worden er twee banden om de buik bevestigd. De ene band registreert de harttonen van de baby, terwijl de andere band de harde buiken of weeën monitort. Indien de vliezen gebroken zijn, kan de hartslag van de baby ook via een draadje dat op het hoofdje wordt geplaatst, geregistreerd worden. Het hartritme van de baby geeft belangrijke informatie over de conditie. Een afwijkend hartritme kan duiden op een reactie van de baby op de weeënactiviteit.
Tijdens de bevalling kan, naast een standaard CTG, ook gebruik worden gemaakt van de zogenaamde STAN® registratie. Dit apparaat analyseert de elektrische activiteit van het hartje van de baby.
Het Lezen van de CTG-Grafiek
De CTG-monitor toont twee grafieken boven elkaar. De horizontale as (x-as) op beide grafieken geeft de tijd in minuten weer. Elke minuut is gemarkeerd met donkere lijnen, terwijl lichtere lijnen segmenten van tien seconden aangeven. Tijdens de bevalling duurt een wee doorgaans 30 tot 70 seconden, met een rustperiode van ongeveer vijf tot tien minuten tussen twee weeën.
De verticale as (y-as) verschilt per grafiek:
- Bovenste grafiek: Hartslag van de baby
Deze grafiek toont de hartslag van de baby, gemeten in BPM (Beats Per Minute), oftewel het aantal hartslagen per minuut. Een normale basis hartfrequentie ligt doorgaans tussen de 110 en 150 slagen per minuut. Het kan beangstigend zijn om een afwijkende BPM te zien, maar dit betekent niet altijd direct dat er iets mis is. - Onderste grafiek: Weeënactiviteit
Deze grafiek registreert de intensiteit van de weeën. De y-as meet de weeënkracht in mmHg (millimeter kwik). Hoe krachtiger de wee, hoe hoger de waarde op de y-as. Aan het begin van de actieve fase van de bevalling ligt de sterkte van een wee meestal tussen de 50 en 70 mmHg.

Verschillende Typen CTG-Monitoren
Er zijn verschillende manieren om de hartslag van de baby en de frequentie van de weeën te monitoren:
Doorlopende (Continue) Cardiotocograaf
Dit is het meest gebruikte type monitor. Het meet continu de reactie van het foetale hart op de baarmoedercontracties en toont de resultaten direct op het scherm. Een doorlopende CTG kan extern zijn, maar er bestaan ook interne versies of apparaten die beide methoden combineren.
Interne Controle
Voor interne monitoring wordt een drukcatheter, ook wel een IUPC (Intrauterine Pressure Catheter) genoemd, ingebracht. Dit is een dun slangetje dat in de baarmoeder wordt geplaatst om de sterkte van de persweeën te meten.
Periodieke Controle (Auscultatie)
Bij periodieke controle wordt de foetale hartslag niet constant, maar op bepaalde momenten gecontroleerd. Dit kan gebeuren met een speciale stethoscoop, een fetoscoop, of een doppler-apparaat.
Spider Technology Solutions - Animatie (korte versie)
Doel en Interpretatie van CTG-Bewaking
Het hoofddoel van cardiotocografie (CTG) is het gelijktijdig registreren van de uterusactiviteit en de foetale hartactie. Dit stelt zorgverleners in staat om de foetale conditie tijdens de zwangerschap en de bevalling te beoordelen.
Uterusactiviteit (Toco)
De onderste lijn van het CTG vertegenwoordigt de uterusactiviteit, ook wel de 'toco' genoemd. Deze is belangrijk voor het bepalen van de frequentie van uteruscontracties. Optimaal tijdens de baring wordt beschouwd: 3 tot 5 weeën per 10 minuten.
Foetale Hartslag en Variabiliteit
De hartslag van de baby wordt gemeten in slagen per minuut. Een normale basis hartfrequentie ligt tussen de 110-150 slagen per minuut. Naarmate de zwangerschap vordert, kan de basis hartfrequentie lager worden.
- Tachycardie: Een hartslag van meer dan 150 slagen per minuut. Mogelijke oorzaken zijn stress, medicatie of infectie bij de moeder, of excessieve bewegingen of hypoxemie bij de foetus.
- Bradycardie: Een hartslag van minder dan 110 slagen per minuut, of een daling van meer dan 40 slagen per minuut gedurende langer dan 4 minuten.
De variabiliteit van de basis hartfrequentie, het verschil tussen de hoogste en laagste hartslag binnen een bepaalde periode, is ook cruciaal. Een normale variabiliteit ligt tussen de 5-25 slagen per minuut.
- Verhoogde variabiliteit (saltatoir patroon): Meer dan 25 slagen per minuut. Dit kan duiden op acute stress, bijvoorbeeld tijdens het persen.
- Verminderde variabiliteit (strak CTG): Dit kan veroorzaakt worden door diepe slaap van de foetus, bepaalde medicatie (opiaten, benzodiazepinen), of verslechterde foetale conditie (hypoxie).
- Sinusoïdaal patroon: Een glad en golvend patroon, wat zeer zeldzaam maar ernstig is en kan duiden op ernstige anemie of hypoxie van de foetus. Een pseudo-sinusoïdaal patroon is een grovere zaagtandvorm.

Beleid op basis van CTG-Classificatie
De bevindingen van de CTG-analyse worden samengevoegd in de gemodificeerde FIGO-classificatie. Op basis hiervan wordt een beleid ingezet:
| CTG-classificatie | Beleid |
|---|---|
| Normaal CTG | Expectatief; goede foetale conditie waarschijnlijk. |
| Suboptimaal CTG | Mogelijke oorzaak voor suboptimaal CTG opheffen, aanvullende diagnostiek overwegen. |
| Abnormaal CTG | Mogelijke oorzaak voor abnormaal CTG opheffen en aanvullende diagnostiek overwegen; overleg met gynaecoloog. |
| Preterminaal CTG | Bevalling termineren; onmiddellijke medebeoordeling door gynaecoloog. |
Een mogelijke aanvullende diagnostiek bij een suboptimaal of abnormaal CTG is het verrichten van microbloedonderzoek (MBO).