Lange-termijnonderzoek naar de gevolgen van prematuriteit richt zich vooral op gezondheidsproblemen. Verschillende studies hebben de gezondheidsuitkomsten en ontwikkelingsperspectieven van prematuur geboren kinderen vergeleken met die van à-term geborenen.
Grote Cohortstudies naar Langetermijnuitkomsten
Een Zweedse retrospectieve cohortstudie, bestaande uit 2.566.699 volwassenen uit de nationale geboorteregistratie, onderzocht de langetermijngevolgen van prematuriteit. Deze volwassenen, geboren tussen 1973 en 1997, werden op een gemiddelde leeftijd van 29,8 jaar geanalyseerd. In totaal was 5,8% van het cohort prematuur geboren.
Comorbiditeit werd gemeten middels de AYA HOPE-Comorbidity Index, die aandoeningen zoals astma, hypertensie, diabetes, nierziekte, mentale ziekten, cerebrale palsy en epilepsie omvat. Er is gecontroleerd voor confounders als geboortejaar, maternale en perinatale factoren en familiaire ziekten. De resultaten toonden aan dat 54,6% van de prematuren in leven was zonder ernstige comorbiditeit, tegenover 63,0% van de à-term geborenen. Er werd een duidelijke relatie vastgesteld tussen de ernst van de prematuriteit en comorbiditeit. Maternale en perinatale factoren, geboortejaar en familiaire ziekten hadden geen significant effect op deze uitkomsten.
Verder bleken prematuur geboren volwassenen minder vaak hoog opgeleid te zijn, minder vaak werkzaam te zijn en een lager inkomen te hebben dan à-term geboren volwassenen. De auteurs concludeerden dat hoewel de meerderheid van de volwassen geworden prematuren geen ernstige comorbiditeit heeft, extreme prematuren er relatief slecht aan toe zijn wat betreft gezondheid en sociaal-economisch functioneren.

Psychosociaal Functioneren bij Jonge Kinderen
Een andere studie vergeleek de scores van de ‘Strengths and Difficulties Questionnaire’ (SDQ) bij 217 prematuur geboren kinderen (gemiddelde zwangerschapsduur: 34 weken) op 5- of 6-jarige leeftijd met die van 4336 à-term geboren kinderen. Moeders van prematuur geboren kinderen waren vaker lager opgeleid.
De gemiddelde SDQ-totaalscore, gerapporteerd door moeders, was significant hoger bij prematuur geboren kinderen (6,1; SD: 4,7) dan bij à-term geboren kinderen (5,2; SD: 4,1). Verschillen in SDQ-scores, gerapporteerd door leerkrachten, waren niet significant. Van de moeders van een prematuur kind rapporteerde 16,1% psychosociale problemen, vergeleken met 10,1% van de moeders van een à-term geboren kind. Een laag opleidingsniveau van de moeder en een inadequaat inkomen hingen statistisch significant samen met hogere SDQ-scores. Prematuriteit had geen additioneel effect op het risico op psychosociale problemen bij kinderen van moeders met een laag opleidingsniveau of een inadequaat inkomen.

Neurocognitieve Ontwikkeling en Prematuriteit
Premature geboorte is geassocieerd met een lagere neurocognitieve ontwikkeling ten opzichte van op tijd geboren kinderen. Reviews van Allotey et al. (2017), Twilhaar et al. (2018), en Winter et al. (2023) beschrijven deze ongelijkheid in intelligentie. Deze meta-analyses omvatten studies uit verschillende landen, waaronder de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Canada, Australië en Noorwegen, in de jaren na de introductie van antenatale steroïden en surfactant.
De review van Allotey et al. (2017) toonde aan dat premature kinderen lagere cognitieve scores hadden voor de totale intelligentie (FSIQ; gestandaardiseerd gemiddeld verschil (SMD): 0,70; 95% betrouwbaarheidsinterval (BI): 0,73 tot 0,66), performale intelligentie (PIQ; SMD: 0,67; 95% BI: 0,73 tot 0,60) en verbale intelligentie (VIQ; SMD: 0,53; 95% BI: 0,60 tot 0,47). De zwangerschapsduur bij geboorte verklaarde 38-48% van de waargenomen IQ-variatie. De review van Twilhaar et al. (2018) omvatte 71 studies met in totaal 7752 extreem premature (EP) of zeer premature (VP) kinderen en 5155 controlepersonen. De mediane zwangerschapsduur was 28,5 weken (interkwartielafstand [IQR]: 2,4 weken). Een meta-regressieanalyse toonde aan dat de heterogeniteit in effectgrootte tussen studies significant werd verklaard door de zwangerschapsduur en bronchopulmonale dysplasie (BPD).
Wanneer neurocognitieve ontwikkeling wordt uitgedrukt als het risico op een matige tot ernstige ontwikkelingsstoornis, wordt vanuit het Epipage-2 cohort (Ancel, 2015) een vergelijkbare associatie gevonden tussen de mate van vroeggeboorte en de grootte van dit risico. Van de kinderen geboren bij 24-26 weken zwangerschapsduur heeft 28% een matig tot ernstige ontwikkelingsstoornis, ten opzichte van 19% bij 27-31 weken en 12% bij 32-34 weken. Ongeveer de helft van de kinderen geboren na 24-26 weken (52%; 95% BI: 46,4% tot 57,3%) ontving minstens één ontwikkelingsinterventie, terwijl dit percentage afnam tot 26% (95% BI: 21,8% tot 29,4%) bij kinderen geboren na 32-34 weken.

Matige tot Late Prematuriteit
De laatste jaren komt er meer aandacht voor de effecten van matige tot late prematuriteit. De prospectieve longitudinale cohortstudie uit Australië van Cheong (2017) onderzocht 198 matig tot laat prematuur (MLPT) geboren kinderen en 183 à-term geboren controles, geëvalueerd op een gecorrigeerde leeftijd van 2 jaar. MLPT-kinderen hadden op 2-jarige leeftijd een slechtere cognitieve, taal- en motorische ontwikkeling. De aangepaste gemiddelde verschillen in samengestelde scores waren −5,3 voor cognitieve ontwikkeling, −11,4 voor taalontwikkeling, en −7,3 voor motorische ontwikkeling.
De kans op ontwikkelingsachterstanden was hoger in de MLPT-groep in vergelijking met de controles, met aangepaste oddsratio’s van 1,8 voor cognitieve achterstand, 3,1 voor taalachterstand, en 2,4 voor motorische achterstand.
Vergelijking van Prematuriteitsgraden en Ontwikkelingstests
Een overzichtsartikel van Winter (2023) presenteerde resultaten van studies die het cognitieve vermogen van voldragen kinderen vergeleken met premature kinderen met behulp van de Bayley-I, Bayley-II en Bayley-III schalen. Voldragen peuters scoorden 8 tot 21 standaardscorepunten hoger op cognitieve tests dan prematuur geboren peuters, met een mediaan verschil van 12 punten.
Een andere cohortstudie onderzocht de langetermijnuitkomsten bij 66 extreem premature en 70 matig premature kinderen. De extreem premature kinderen scoorden significant lager dan de matig premature kinderen op vier subtests, met kleine tot middelgrote effectgroottes. De extreem premature kinderen scoorden significant lager dan de voldragen kinderen op alle vijf subtests. De matig premature kinderen scoorden statistisch significant lager dan de voldragen controles op vier subtests.

Belang van Informatievoorziening aan Ouders
Bij een verwachte vroeggeboorte is het cruciaal om ouders te informeren over de prognose van het kind. De belangrijkste risico’s om te bespreken zijn de kans op sterfte en overleving met of zonder handicap. De domeinen van ontwikkeling waarin een handicap zich kan voordoen, zijn: motoriek (bijvoorbeeld cerebrale parese (CP)), gehoor, visus, cognitie, gedrag en psychosociaal functioneren.
Het is belangrijk dat met ouders wordt besproken wat wordt bedoeld met milde en ernstige handicaps, omdat deze termen niet eenduidig zijn gedefinieerd in de literatuur. Veel studies gebruiken de classificaties van de EpiCure-studiegroep (Marlow 2005), waarbij ernstige handicaps worden gedefinieerd als hoge afhankelijkheid van zorg, ernstige cerebrale parese, een IQ van meer dan 3 SD onder het gemiddelde, doofheid en blindheid. Milde handicaps omvatten minder ernstige motorische afwijkingen, visusproblemen, gehoorverlies waarvoor een hulpmiddel nodig is en een IQ van meer dan 2 SD onder het gemiddelde.
Groei- en ontwikkelingsmijlpalen | Ontwikkelingsfasen in de kinderverpleegkunde
tags: #a #term #vergeleken #met #prematuur